donderdag 5 november 2020

Dag 77

Er klonken woeste geluiden vanuit de gamekamer. Jongste liet in woord en daad merken dat zijn FIFA-elftal niet uitvoerde wat hij met zijn duimen bedacht had. De pedagoog in mij, een onberispelijk mannetje, meldde zich met een vermanend vingertje bij zijn beeldscherm. “Dat mag dus niet.” De verontwaardiging over deze schrobbering uitte Jongste pas aan tafel. “Maar jij dan, pap? Als Ajax speelt?” Wie? Ik? Wat bedoel je? Ajax? Hoezo dan? “Nou, dan ga je aardig tekeer.” Aan de andere kant van de tafel bleef het opvallend lang stil. Ze zei niets, maar de ogen van mijn vriendin vertelden haar standpunt: in deze kwestie stond ze niet aan mijn zijde. In mijn hoofd spoelde ik ontelbare filmpjes terug van Ajax-wedstrijden in onze huiskamer. Ik zag mezelf vaak juichend van de bank veren. Als de Godenzonen het op de heupen hadden, was het inderdaad genieten. “Als het niet loopt bij Ajax, word je erg ongezellig,” zei mijn vriendin. Ze klonk als een openbaar aanklager. “Ja, dan zit je boos naar het scherm te schreeuwen,” vulde Oudste als getuige aan. Mijn beklaagdenbankje voelde steeds oncomfortabeler. Jongste kwam nu ook los. “Gisterenavond hoorde ik je vanuit bed schelden op Schuurs. En je vloekte ook.” Beschaamd, met het hoofd tussen mijn schouders, verliet ik het tribunaal. Ik kreeg de hoon van alle aanwezigen. Met een vermanend vingertje wezen ze de pedagoog in mij onberispelijk na.

woensdag 4 november 2020

Dag 76

Dick Advocaat, dat zijn wij. De trainer voor zijn dug-out tijdens een wedstrijd van Feyenoord; het toont opvallend veel gelijkenissen met het gedrag van het Nederlandse volk tijdens een lockdown. Aanvankelijk de goede moed, met de haartjes strak gekamd over het hoofd en de handjes strak in de zakken van de winterjas, beginnen aan de strijd. De drukke gebaartjes als de scheidsrechter tegenwerkt, de verontwaardiging als de var een gegeven strafschop weer afpakt, de ogenschijnlijke rust met de armpjes over elkaar als zijn beste speler uit de wedstrijd wordt geschopt, terwijl je ziet dat de woede in dat lijfje kolkend een uitweg zoekt; we ondergaan precies dezelfde emoties als Rutte onze mogelijkheden snoeit. Het is ook incasseren. Door veelvuldige toepassing past het persconferentiëren onze minister-president inmiddels als een maatkostuum. De beperkende maatregelen schudt ie achteloos uit de mouw. Afgelopen dinsdag waren ze bij Jongste al doorgedrongen, toen hij van zijn voetbaltraining terugkeerde: “Er mogen nu nog maar twéé vrienden op het verjaardagsfeestje van T. komen, dat zal een knalfuif worden.” Niet alleen bij Jongste, langzaam begint bij iedereen de lava door de aderen te borrelen. Schijnbaar onbewogen, met onze armen over elkaar op de bank, laten we het over ons heen komen. We houden vol en wachten tot een onverwachts doelpunt, desnoods in blessuretijd. Met opgestoken armpjes langs het blije hoofd rennen we dan als herboren het veld in. Net als Dick Advocaat.

dinsdag 3 november 2020

Dag 75

De geschiedenis herhaalt zich. Continu. Of het nu om de bladeren aan de bomen gaat die elk najaar op dezelfde wijze verkleuren, een presidentsverkiezing in de Verenigde Staten of Guus Geluk die Donald Duck telkens het nakijken geeft: het hele leven is een déjà-vu. Hier ook. Opnieuw ‘milde klachten’. Maakte ik twee weken geleden nog kennis met de teststraat in Dordrecht, dinsdagmorgen tastte een alleraardigste juffrouw in Valkenswaard de diepste spelonken in mijn hoofd af met haar wattenstaaf. Lang verhaal kort: ik wacht weer op een uitslag. Mijn vriendin maakte korte metten met mijn lichamelijke onfortuin. Ik kon naar de slaapkamer, waar de badkamer en het boventoilet mijn actieradius voor de rest van de dag bepaalden. Daar lag ik. Om het bed heen een cirkel van werkmap, lesboeken, laptop, de krant, fruit, een leesboek én een pak met ‘Vochtige Hygiënische Doekjes In Grapefruitsmaak’. Voor mijn gesnotter en uit voorzorg, want alles wat ik als mogelijk coronaviaan aanraakte, moest meteen gedesinfecteerd worden. Volgzaam als Bonfire onder Anky, wreef ik douchekop, kraan en wc-bril grapefruitblinkend schoon. Toch duurt zo’n dinsdag lang. Op mijn laptop checkte ik steeds in een lus hetzelfde lijstje: mijn testuitslag (nee, nog niet), de eerste resultaten in de strijd Trump-Biden (nee, nog niets), lekkages uit de persconferentie van Rutte (pretparken dicht), schoolmail en welke Godenzonen Ajax zou kunnen opstellen (misschien toch Tadic). Halverwege de middag, toen ik mijn vriendin hoorde wegfietsen voor boodschappen, was ik het beu. Als een dief daalde ik in mijn eigen huis af naar de keuken. Om even iets anders te zien dan mijn snotkop in de spiegel van de kledingkast en voor een verse kop thee met een stroopwafel. Pas bij terugkomst in de slaapkamer zag ik het pakje met vochtige hygiënische doekjes. Opnieuw herhaalde de geschiedenis zich uitermate precies langs trapleuning, waterkraan en koekenkast. Maar nu met grapefruitsmaak.

maandag 2 november 2020

Dag 74

“Zijn we er toch nog ingetuind,” zei Herman Kuiphof toen de Duitsers ons op het WK van 1974 aftroefden. Tegenwoordig tuinen we met zijn allen in de ingeblikte stadiongeluiden bij voetbalwedstrijden op televisie. Het aanzwellende geluid van een heel supportersvak als Cody Gakpo gaat aanleggen voor een schot, terwijl alle stoeltjes leeg zijn: het voelt toch een beetje alsof je gefopt wordt. Waarschijnlijk kom ik daarom deze dagen zo graag bij de Jumbo. Wandelen langs de schappen met eerlijk gebakken brood en de groenteafdeling met producten vers van het land: in de supermarkt lijkt alles ‘gewoon’ in orde. Ik heb in ieder geval de illusie dat ik er niet wordt gefopt, behalve de prijs voor twee repen Cote d’Or. Belachelijk duur. Een ander houvast biedt de natuur. Zeker als de najaarszon op zaterdagmiddag de weilanden in een feeërieke gloed zet, is mijn vriendin niet te houden. Net zoals in het voorjaar wandelen we dan langs de slootkant, waar bomen rijkelijk kleuren en koeien ons loom aankijken met een blik van ‘ik kan er ook niets aan doen’. Na hoge rietkragen en een laagvliegende torenvalk werd het hoogtepunt van onze wandeling gevormd door de berm langs de terugweg naar huis. Verscholen tussen gras en tegen boomstammen vonden we prachtige paddenstoelen. Eekhoorntjesbrood, vliegenzwammen, rood met witte stippen. Op één of andere manier werden de hoedjes steeds groter. De opwinding steeg. In de verte naderden we een reuzenzwam, maar dat bleek een verloren wieldop te zijn. Werden we toch weer gefopt.

zondag 1 november 2020

Dag 73

Onderwijs aan pubers in het klaslokaal in het najaar van 2020? Dat is vermakelijk. Nog vóór de eerste zoemer ben ik in het lokaal om ramen en deuren wijd open te zetten. Vanaf de ramen waait de frisse novemberlucht binnen, vanaf de gang de vertrouwde stem van de gangconciërge: “Mondkapjes op, jongens en meiden! Mondkapjes op!” Dan de zoemer met de Pavlovreactie: als gehoorzame puppy’s druppelen de leerlingen het lokaal binnen met gehaast geplaatste mondkapjes en de ogen gericht op het telefoonscherm waar de laatste appjes, snapchats of youtubefilmpjes gecheckt worden. “Goedemorgen, allemaal!” “Goeiemorgen,” mompelt de enkeling die zelfverzekerd genoeg is om zich aan de pubergedragscode te onttrekken. De mobieltjes gaan in de zak aan de muur, het mondkapje (saai zwart, klinisch wit, vrolijk gekleurd, modieus verantwoord, lomp om het hoofd gebonden, sportief met Adidas-logo: mondkapjes vertellen opvallend veel over hun dragers) verdwijnt in de rugzak, slordig in de broekzak of op de hoek van de tafel en alle twintig leerlingen krijgen van mij vanuit een sprayfles een wolkje zeep in de handen gespoten om te desinfecteren. Daar zitten ze, twintig leerlingen met de winterjas dichtgeritst tot aan de kin in lokaal 206, dat net groter is dan mijn keuken thuis. Voor het bord is, net als voor een dug out in een stadion, met denkbeeldige lijnen een hok getrokken: dat is mijn bewegingsruimte. Als een trainer die op afstand zijn voorstopper duidelijk wil maken om toch vooral korter te dekken, probeer ik de groep door de Nederlandse les te leiden, terwijl vanaf de gang letterlijk is te horen hoe de huishoudelijke dienst de vloer boent en hoe in lokaal 207 de collega Engels de ‘perfect tense’ uitlegt. Maar alles went, net als fietsen met een slag in het wiel of zitten of poepen met aambeien. Net vóór de zoemer voor het einde van de les worden vanuit allerlei broeinesten het kapje weer voor het gezicht gespannen. Daar gaan ze, op weg naar wiskunde of techniek. Nog een paar seconden, dan wordt de stilte in de klas verdreven door de gangconciërge, die onderwijs aan jongeren in coronatijd in één kreet samenvat: “Mondkapjes op, jongens en meiden! Mondkapjes op!”