Posts tonen met het label Jeugdvoetbal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jeugdvoetbal. Alle posts tonen
zaterdag 31 oktober 2020
Dag 72
De zaterdag op een gemeentelijk sportpark, sociale pareltjes uit een virusvrij verleden. Tussen andere ouders toekijken bij de wedstrijden van jouw kinderen, de wereld terloops doornemen met een broodje kroket en het bespreken van de balcontrole van de linksback met zijn blauwe Nikes of de hernia van de broer van Frans van Sjannie: het waren cadeautjes na een drukke werkweek.
Deze zaterdag is JO17-2, het elftal van Oudste, aanwezig op het voetbalveld. Maar geen nerveus gedrentel in het kleedlokaal, geen gevecht rondom de shirtjestas om het rugnummer 10, geen tactische bespreking over dat team uit de stad met die gevaarlijke spits. In de plaats dáárvan staat het elftal in gele hesjes klaar voor een trainingswedstrijd tegen JO17-1. Langs de lijn liggen de voetbaltassen, de kleedlokalen zijn gesloten, net als de kantine. Behalve de leiders en reserves staat er niemand langs de lijn.
Ze doen hun best, onze jongens, maar het komt niet in de buurt van een zaterdag in oktober tegen EFC thuis of Brabantia uit. Het blijft een uitgeklede versie, een slagroomtaartje op een verjaardag, maar dan zonder slagroom.
In gedachten denk ik ze er daarom maar bij, de keuvelende ouders, hangend op de stang boven het reclamebord van slagerij Baselmans (‘Voor als u van worst houdt’):
“Heb je het al gehoord van Ria?”
“Wat? Positief?”
“Nee, die doet het met Ricardo. Die met die snor van personeelszaken.”
En dan het geluid eroverheen van massaal kindergejuich. Alle hoofden draaien in de richting van het hoofdveld. De JO13-3 scoort de gelijkmaker. Kwetsbaar geluk. Het zijn vaak de kleinste dingen die je het meeste mist.
woensdag 25 april 2018
Discutabel
Een wedstrijd fluiten, dat moet je kunnen. Na het beginsignaal starten twee ploegen hun goedbedoelde weg naar glorie, maar snel daarna ontaardt de voetbalmatch vaak in een schouwspel dat nog het meeste lijkt op ‘tweeëntwintig boeren op hol’. Houd dan maar eens het overzicht tussen een correcte sliding en een doodschop.
Mijn buurman van vroeger, die had het in de vingers. Hij kon, na een wedstrijd met twee gebroken benen, drie uitgetufte voortanden, een weggelopen grensrechter, 17 verwensingen (waarvan “Scheids! Zelfs Stevie Wonder ziet dat dat geen pingel is!” nog de beschaafdste was) en een gapend gat in de kleedkamerdeur, monter zijn auto op de inrit zetten en met frisgewassen haartjes zijn voetbaltas uit de kofferbak pakken:
“Zo, dat was weer een lekker potje op de zaterdagmiddag.”
Zelf heb ik het één keer geprobeerd. Bij een competitiewedstrijd van jongste bleek de scheidsrechter geblesseerd, waarna de leider met labradorogen aan mij kwam vragen of ik de fluit niet ter hand wilde nemen. Hoe moeilijk kon het zijn, zo redeneerde ik vol zelfoverschatting, zo’n wedstrijd tussen F’jes? Jochies die net de Donald Duck lezen en nog met hun moeder willen trouwen. Nog vóór de rust liep het potje uit de hand door een jonge hooligan die niets wilde weten van de vrije trap tegen: “Homo!”
Blijkbaar was de les dat een wedstrijd leiden best lastig kan zijn al weer weggegleden naar de diepste krochten van mijn geheugen (waar ook mijn schaamtevolle optreden bij de Mini-Playbackshow in groep 3 en mijn eerste blauwtje liggen opgeslagen; Maria, wiens pronte borsten al het testosteron in mijn lichaam tot leven wekte), want zaterdag stond ik als leider stuitend langs de lijn bij de uitwedstrijd van JO11-1. Het potje werd geleid door een struise 15-jarige blonde deerne, die ik vóór aanvang goedgemutst ‘een prettige wedstrijd’ wenste. Zij mij ook. Dat zij daar anders over dacht, bleek toen alle schouderduwtjes en correcte blocktackles werden afgefloten en élk twijfelgeval in het voordeel van haar thuisspelende ploeg werd uitgelegd. Mijn machteloosheid vertaalde zich in vertwijfelde armgebaren (denk aan Johan Cruijf in discussie met een scheidsrechter) en een enkele verbale oprisping die niet zou misstaan op een CDA-partijcongres (“Van twéé kanten bekijken, scheids!”). Ergens diep in de tweede helft was het meisje echter mijn nuanceringen beu. Met een schrille fluit legde ze het spel stil en ten overstaan van alle spelers én hun ouders, wees ze als Björn Kuipers in mijn richting en riep ze streng de stand van zake over het speelveld:
“Als die meneer nu niet snel zijn mond houdt, dan is daar de poort!”
Als een geslagen hond die moet toezien hoe de slager de worst gunt aan een schoothondje met een rode strik, zag ik hoe jongste en zijn vriendjes in het restant de wedstrijd uit handen lieten glippen.
Je mond houden tijdens de wedstrijd, ook dat moet je kunnen.
Mijn buurman van vroeger, die had het in de vingers. Hij kon, na een wedstrijd met twee gebroken benen, drie uitgetufte voortanden, een weggelopen grensrechter, 17 verwensingen (waarvan “Scheids! Zelfs Stevie Wonder ziet dat dat geen pingel is!” nog de beschaafdste was) en een gapend gat in de kleedkamerdeur, monter zijn auto op de inrit zetten en met frisgewassen haartjes zijn voetbaltas uit de kofferbak pakken:
“Zo, dat was weer een lekker potje op de zaterdagmiddag.”
Zelf heb ik het één keer geprobeerd. Bij een competitiewedstrijd van jongste bleek de scheidsrechter geblesseerd, waarna de leider met labradorogen aan mij kwam vragen of ik de fluit niet ter hand wilde nemen. Hoe moeilijk kon het zijn, zo redeneerde ik vol zelfoverschatting, zo’n wedstrijd tussen F’jes? Jochies die net de Donald Duck lezen en nog met hun moeder willen trouwen. Nog vóór de rust liep het potje uit de hand door een jonge hooligan die niets wilde weten van de vrije trap tegen: “Homo!”
Blijkbaar was de les dat een wedstrijd leiden best lastig kan zijn al weer weggegleden naar de diepste krochten van mijn geheugen (waar ook mijn schaamtevolle optreden bij de Mini-Playbackshow in groep 3 en mijn eerste blauwtje liggen opgeslagen; Maria, wiens pronte borsten al het testosteron in mijn lichaam tot leven wekte), want zaterdag stond ik als leider stuitend langs de lijn bij de uitwedstrijd van JO11-1. Het potje werd geleid door een struise 15-jarige blonde deerne, die ik vóór aanvang goedgemutst ‘een prettige wedstrijd’ wenste. Zij mij ook. Dat zij daar anders over dacht, bleek toen alle schouderduwtjes en correcte blocktackles werden afgefloten en élk twijfelgeval in het voordeel van haar thuisspelende ploeg werd uitgelegd. Mijn machteloosheid vertaalde zich in vertwijfelde armgebaren (denk aan Johan Cruijf in discussie met een scheidsrechter) en een enkele verbale oprisping die niet zou misstaan op een CDA-partijcongres (“Van twéé kanten bekijken, scheids!”). Ergens diep in de tweede helft was het meisje echter mijn nuanceringen beu. Met een schrille fluit legde ze het spel stil en ten overstaan van alle spelers én hun ouders, wees ze als Björn Kuipers in mijn richting en riep ze streng de stand van zake over het speelveld:
“Als die meneer nu niet snel zijn mond houdt, dan is daar de poort!”
Als een geslagen hond die moet toezien hoe de slager de worst gunt aan een schoothondje met een rode strik, zag ik hoe jongste en zijn vriendjes in het restant de wedstrijd uit handen lieten glippen.
Je mond houden tijdens de wedstrijd, ook dat moet je kunnen.
dinsdag 17 oktober 2017
Rampzalig
Voor een nieuwe wedstrijd van jongste reed ik zaterdagmorgen naar het sportpark. Door een uitbundige oktoberzon lagen de velden er blakend bij, als een ingevet lichaam op een ligbed aan een tropisch strand, zich gulzig overgevend aan de warmte. De start van de herfstvakantie was ongekend fraai.
Toch zorgde de week voor bewolking. In de kantine kwam de mislukte missie van het Nederlandse elftal om het WK te bereiken op tafel. Bij de koffie werd het met schaamte besproken, als de gordelroos van tante Annie.
Natuurlijk, een stoer Oranje op een eindtoernooi werkt sfeerverhogend in de zomer, ook als het WK in Rusland plaatsvindt, een plek waar mannen zich halfnaakt op paarden laten filmen en waar vliegtuigen uit de lucht worden geschoten. Toch blijft een lichte depressie na een desastreuze kwalificatiereeks een vreemde reflex. Geluk vind je in een verse stronk bloemkool op je bord, in goed gestructureerde ouderenzorg en gedegen onderwijs aan je kinderen, niet in een doelpunt van Robben in de laatste minuut tegen Costa Rica en oranje tompoucen bij de Hema. Misschien dat volgende generaties ooit op zolder een doos gaan vinden met oranje parafernalia en daarbij de vraag stellen “Maar hoezo werd de hele wijk oranje versierd dan?” Dat leed lijkt me te overzien. Een oranje klomp voor op het hoofd en een leeuw-schreeuw-shirt hebben sowieso niets te maken met liefde voor het nationale voetbalteam en horen niet in een doos op zolder thuis, maar in de kliko, naast aardappelschillen en een verschimmeld bakje La vache qui rit, maar dat terzijde.
Goed, zaterdagmorgen op het sportpark dus. Met een dampend kopje koffie voor me, overzag ik het ‘slagveld’ van het Nederlandse voetbal dat zich op dat moment om me heen (en op duizenden sportparken in Nederland) aan het voltrekken was: de clubvrijwilliger die met uitgestoken hand de uitspelende teams ontving, de schoongeveegde kleedlokalen met gillende pupillen, de leiders die de koppen om tactische redenen bij elkaar staken (“4-3-3? Of toch op het middenveld met de ruit naar voren?”) en in de verte de strakgesneden velden met spierwitte doelnetten. Daarop ging het gebeuren, de komende uren, de komende jaren.
Het komt allemaal dik, dik in orde.
Toch zorgde de week voor bewolking. In de kantine kwam de mislukte missie van het Nederlandse elftal om het WK te bereiken op tafel. Bij de koffie werd het met schaamte besproken, als de gordelroos van tante Annie.
Natuurlijk, een stoer Oranje op een eindtoernooi werkt sfeerverhogend in de zomer, ook als het WK in Rusland plaatsvindt, een plek waar mannen zich halfnaakt op paarden laten filmen en waar vliegtuigen uit de lucht worden geschoten. Toch blijft een lichte depressie na een desastreuze kwalificatiereeks een vreemde reflex. Geluk vind je in een verse stronk bloemkool op je bord, in goed gestructureerde ouderenzorg en gedegen onderwijs aan je kinderen, niet in een doelpunt van Robben in de laatste minuut tegen Costa Rica en oranje tompoucen bij de Hema. Misschien dat volgende generaties ooit op zolder een doos gaan vinden met oranje parafernalia en daarbij de vraag stellen “Maar hoezo werd de hele wijk oranje versierd dan?” Dat leed lijkt me te overzien. Een oranje klomp voor op het hoofd en een leeuw-schreeuw-shirt hebben sowieso niets te maken met liefde voor het nationale voetbalteam en horen niet in een doos op zolder thuis, maar in de kliko, naast aardappelschillen en een verschimmeld bakje La vache qui rit, maar dat terzijde.
Goed, zaterdagmorgen op het sportpark dus. Met een dampend kopje koffie voor me, overzag ik het ‘slagveld’ van het Nederlandse voetbal dat zich op dat moment om me heen (en op duizenden sportparken in Nederland) aan het voltrekken was: de clubvrijwilliger die met uitgestoken hand de uitspelende teams ontving, de schoongeveegde kleedlokalen met gillende pupillen, de leiders die de koppen om tactische redenen bij elkaar staken (“4-3-3? Of toch op het middenveld met de ruit naar voren?”) en in de verte de strakgesneden velden met spierwitte doelnetten. Daarop ging het gebeuren, de komende uren, de komende jaren.
Het komt allemaal dik, dik in orde.
dinsdag 25 april 2017
Samenhang
Op de dag van de streekderby Bladella-Reusel Sport zaten we 's ochtends in de kerk. Vroom, alsof ze er elke week kwamen, zaten de jongens tussen hun ouders en oma in, voor de jaarlijkse herdenkingsdienst van opa.
De mis werd opgeluisterd door het mannenkoor, een tiental kerels dat doordeweeks stoer met stenen op de steigers sjouwde of op kantoor de loonadministratie beheerde van het plaatselijke mengvoedersbedrijf. Nu toverden ze Gregoriaanse klanken uit hun keel alsof er een forse salarisverhoging op het spel stond.
Meneer Pastoor spande zich minder in. Met de rust van een gepensioneerde dokwerker begon hij aan de eerste lezing. Traag, want bij elke komma stopte hij vier seconden om de woorden van Johannes goed te laten neerdalen op de aanwezige parochianen. De moraal, bij tegenslag los je sámen de problemen op, raakte jongste echter allerminst.
"Saai!" fluisterde hij in mijn oor.
Hij had zijn hoofd niet zo staan naar morele adviezen, jongste was meer bezig met het hoofdstuk dat ná deze dienst begon: zijn jeugdteam mocht op het hoofdveld de voorwedstrijd spelen tegen de pupillen van Reusel Sport. Toen meneer Pastoor in zijn preek opnieuw begon over de deugd van samenhang in de gemeenschap, schuifelde hij al ongedurig van de ene bil op de andere.
"Hoe laat is het, pap?"
Ook ik begon me inmiddels zorgen te maken. Door de vele Gregoriaanse liederen en de devotie van meneer Pastoor, die tijd leek te rekken als een doelman met de bal aan de borst in de laatste minuut, kwam de verzameltijd van het team angstig dichtbij.
"Hoe lang duurt het nog, pap?" fluisterde jongste daarom toen de mensen om hem heen ter communie gingen. Ná het slotwoord van meneer Pastoor, maar nog vóórdat hij met een laatste hoofdknik het altaar verliet, verlieten jongste en ik de bank en spoedden we ons naar het sportpark.
Dáár volgde voor jongste en zijn maten een vroege achterstand en bleken de woorden van de priester profetisch. Want diep in de tweede helft van de voorwedstrijd werd die tegenslag sámen opgelost, door na een vloeiende aanval hard de gelijkmaker achter de keeper van Reusel te hameren. De hemel boven het hoofdveld brak open. Het leek op een goedkeurend knikje van Onze Lieve Heer.
De mis werd opgeluisterd door het mannenkoor, een tiental kerels dat doordeweeks stoer met stenen op de steigers sjouwde of op kantoor de loonadministratie beheerde van het plaatselijke mengvoedersbedrijf. Nu toverden ze Gregoriaanse klanken uit hun keel alsof er een forse salarisverhoging op het spel stond.
Meneer Pastoor spande zich minder in. Met de rust van een gepensioneerde dokwerker begon hij aan de eerste lezing. Traag, want bij elke komma stopte hij vier seconden om de woorden van Johannes goed te laten neerdalen op de aanwezige parochianen. De moraal, bij tegenslag los je sámen de problemen op, raakte jongste echter allerminst.
"Saai!" fluisterde hij in mijn oor.
Hij had zijn hoofd niet zo staan naar morele adviezen, jongste was meer bezig met het hoofdstuk dat ná deze dienst begon: zijn jeugdteam mocht op het hoofdveld de voorwedstrijd spelen tegen de pupillen van Reusel Sport. Toen meneer Pastoor in zijn preek opnieuw begon over de deugd van samenhang in de gemeenschap, schuifelde hij al ongedurig van de ene bil op de andere.
"Hoe laat is het, pap?"
Ook ik begon me inmiddels zorgen te maken. Door de vele Gregoriaanse liederen en de devotie van meneer Pastoor, die tijd leek te rekken als een doelman met de bal aan de borst in de laatste minuut, kwam de verzameltijd van het team angstig dichtbij.
"Hoe lang duurt het nog, pap?" fluisterde jongste daarom toen de mensen om hem heen ter communie gingen. Ná het slotwoord van meneer Pastoor, maar nog vóórdat hij met een laatste hoofdknik het altaar verliet, verlieten jongste en ik de bank en spoedden we ons naar het sportpark.
Dáár volgde voor jongste en zijn maten een vroege achterstand en bleken de woorden van de priester profetisch. Want diep in de tweede helft van de voorwedstrijd werd die tegenslag sámen opgelost, door na een vloeiende aanval hard de gelijkmaker achter de keeper van Reusel te hameren. De hemel boven het hoofdveld brak open. Het leek op een goedkeurend knikje van Onze Lieve Heer.
vrijdag 22 januari 2016
Stijf
De week van sneeuw en winterkou trok een streep door de training van F1. Met de hulp van ouders werd op donderdagavond het gymzaaltje van de Franciscusschool geregeld. Het bracht me terug naar geheugenland, want op die school leerde ik lezen, schrijven en rekenen. De klaslokalen die ik op weg naar de kleedkamer passeerde, brachten zoete herinneringen: het hoekje van de herfsttafel, het lijntje boven het raam waaraan de aap-noot-mies-platen hingen en de Pippi Langkousstaartjes van het meisje dat voor me zat.
De efjes merkten niets van mijn weemoed. Als wespen op een glas ranja stortten ze zich op de ballenkar van het speelzaaltje. De schoten vlogen me om de oren. Nadat een rondootje en een paar techniekoefeningen rust hadden gebracht in hun dadendrang, was het tijd voor een andere parel uit het verleden: bankvoetbal.
Het zal ergens laat in de jaren zeventig geweest zijn dat meneer Wouters van den Oudeweijer, gymleraar op mijn oude middelbare school, aan het eind van een les met veel klauteren en touwklimmen, een verrassend voetbalspelletje introduceerde. Vier banken werden op de kant in de hoeken van de zaal gezet met telkens twee verdedigers ervoor. Als de bal jouw bank raakte, schoof je achteraan aan bij de wachtende duo's tegen de muur. Wat vervolgens ontstond was een wild spektakel met veel loopwerk, combinaties, passeerbewegingen en haastig gemaakte verbonden ("Zullen we samen op hen?"). Als beweging het hoofdingrediënt van de gymles moet zijn, vormde bankvoetbal de absolute taart. In mijn herinnering werd echter onze standaardvraag bij elke gymles ("Meneer, gaan we weer bankvoetballen?") steevast gepareerd door meneer Wouter van den Oudeweijer met een haffel speren of nog erger, de bak met kogels. Het kon niet verhinderen dat 'bankvoetbal' aansloot bij het gouden rijtje van middelbare schoolherinneringen, precies tussen de steekvlam bij een scheikundeproef die de kuif van meneer Van de Hurk verschroeide en de allereerste tongzoen in.
De kracht van het spel werd ook herkend door de spelers van F1. Okay, in de hoeken vier banken, duo's ervoor, een bal ertussen en gáán. In het kleine sportzaaltje van de Franciscusschool kwamen balaanname, druk zetten en passeren samen als een symfonie van Bach. Stomend was de inzet, bruisend het plezier. Opmerkelijk lang hield ik in het strijdperk stand aan de zijde van onze kleine rechtsback. Razendsnel weerden we aanvallen op onze bank af en sporadisch combineerden we een bres in vijandelijke linies, waarna met een verraderlijk puntertje tegenstanders uit het gevechtsfront werden geknikkerd. Als een puber van 14 gooide ik mijn spieren in allerlei bochten. Natuurlijk, op dit feest van herkenning kon alleen een enorme kater volgen. Met geen mogelijkheid kon ik vanmorgen mijn bed uitkomen.
De efjes merkten niets van mijn weemoed. Als wespen op een glas ranja stortten ze zich op de ballenkar van het speelzaaltje. De schoten vlogen me om de oren. Nadat een rondootje en een paar techniekoefeningen rust hadden gebracht in hun dadendrang, was het tijd voor een andere parel uit het verleden: bankvoetbal.
Het zal ergens laat in de jaren zeventig geweest zijn dat meneer Wouters van den Oudeweijer, gymleraar op mijn oude middelbare school, aan het eind van een les met veel klauteren en touwklimmen, een verrassend voetbalspelletje introduceerde. Vier banken werden op de kant in de hoeken van de zaal gezet met telkens twee verdedigers ervoor. Als de bal jouw bank raakte, schoof je achteraan aan bij de wachtende duo's tegen de muur. Wat vervolgens ontstond was een wild spektakel met veel loopwerk, combinaties, passeerbewegingen en haastig gemaakte verbonden ("Zullen we samen op hen?"). Als beweging het hoofdingrediënt van de gymles moet zijn, vormde bankvoetbal de absolute taart. In mijn herinnering werd echter onze standaardvraag bij elke gymles ("Meneer, gaan we weer bankvoetballen?") steevast gepareerd door meneer Wouter van den Oudeweijer met een haffel speren of nog erger, de bak met kogels. Het kon niet verhinderen dat 'bankvoetbal' aansloot bij het gouden rijtje van middelbare schoolherinneringen, precies tussen de steekvlam bij een scheikundeproef die de kuif van meneer Van de Hurk verschroeide en de allereerste tongzoen in.
De kracht van het spel werd ook herkend door de spelers van F1. Okay, in de hoeken vier banken, duo's ervoor, een bal ertussen en gáán. In het kleine sportzaaltje van de Franciscusschool kwamen balaanname, druk zetten en passeren samen als een symfonie van Bach. Stomend was de inzet, bruisend het plezier. Opmerkelijk lang hield ik in het strijdperk stand aan de zijde van onze kleine rechtsback. Razendsnel weerden we aanvallen op onze bank af en sporadisch combineerden we een bres in vijandelijke linies, waarna met een verraderlijk puntertje tegenstanders uit het gevechtsfront werden geknikkerd. Als een puber van 14 gooide ik mijn spieren in allerlei bochten. Natuurlijk, op dit feest van herkenning kon alleen een enorme kater volgen. Met geen mogelijkheid kon ik vanmorgen mijn bed uitkomen.
zondag 22 november 2015
Nostalgie
Zaterdag was oudste jarig. De ochtend bracht een grote glimlach op zijn gezicht, want op tafel lag een herkenbaar ingepakt verjaardagscadeau: zijn mobiele telefoon. De middelbare school kietelt als een ganzenveer aan zijn leeftijd en in de puberwereld overleef je niet als je buiten de groepsapp valt.
Mijn vriendin en ik voelden ons ineens oud. Met weemoed daalden we af naar onze jaren tachtig. Uren brachten we kletsend door in het fietsenhok achter school. Op onze bagagedrager lag een leren boekentas met een ouderwetse ABBA-schoolagenda. Als je het huiswerk Duits niet had opgeschreven, was je de volgende dag de pineut bij meneer Spierts. De docent Duits trakteerde je op strafwerk (100 keer het rijtje 'mit, nach, bei, seit, von'), maar het lijkt zo veel leuker dan nu, waarin men met twee drukken op de gsm zo'n vergissing rechtzet en tegelijkertijd de naam van die leuke meid, schuin achterin bij biologie, wordt achterhaald.
Terwijl oudste thuis de geheimen van zijn nieuwe mobiel ontrafelde, namen zijn moeder en ik jongste mee naar het sportpark. De zegereeks van F1 kon namelijk een vervolg krijgen met de wedstrijd tegen UNA. Jongste en zijn vriendjes, ze gaan als de brandweer. Ook deze ochtend, want na een een voorzichtige eerste helft stootten ze in de tweede helft door naar een mooie overwinning, onder meer doordat jongste de score opent door een corner binnen te koppen.
Na de wedstrijd, in het gangetje buiten de overvolle kleedkamer waar F1 gillend de overwinning viert, voel ik ineens mijn binnenzak trillen. Op het beeldscherm zie ik een nieuwe aangemaakte groep met mijn vriendin, mezelf en oudste: 'Ons gezin'. De jeugd leert razendsnel. Het mobieltje van oudste kent na anderhalf uur al geen geheimen meer.
"Wat is het geworden?" vraagt oudste in de eerste app.
"4-0 winst. Kopdoelpunt jongste," antwoord ik met het duimpje omhoog.
Nog voordat ik mijn telefoon heb opgeborgen, stapt jongste met een lang gezicht uit de kleedkamer. Weg is de euforie over de zege. In zijn hand heeft hij de gsm van zijn moeder en in zijn hoofd stormen vele gedachten. Huilend tegen mijn buik waaien ze eruit.
"Ik wilde zélf tegen oudste zeggen dat ik met het hoofd heb gescoord!" schreeuwt hij.
Meteen realiseer ik me dat de jaren tachtig ook bij mij diep zijn weggezakt. Het is veel leuker om het elkaar gewoon te vertéllen.
Mijn vriendin en ik voelden ons ineens oud. Met weemoed daalden we af naar onze jaren tachtig. Uren brachten we kletsend door in het fietsenhok achter school. Op onze bagagedrager lag een leren boekentas met een ouderwetse ABBA-schoolagenda. Als je het huiswerk Duits niet had opgeschreven, was je de volgende dag de pineut bij meneer Spierts. De docent Duits trakteerde je op strafwerk (100 keer het rijtje 'mit, nach, bei, seit, von'), maar het lijkt zo veel leuker dan nu, waarin men met twee drukken op de gsm zo'n vergissing rechtzet en tegelijkertijd de naam van die leuke meid, schuin achterin bij biologie, wordt achterhaald.
Terwijl oudste thuis de geheimen van zijn nieuwe mobiel ontrafelde, namen zijn moeder en ik jongste mee naar het sportpark. De zegereeks van F1 kon namelijk een vervolg krijgen met de wedstrijd tegen UNA. Jongste en zijn vriendjes, ze gaan als de brandweer. Ook deze ochtend, want na een een voorzichtige eerste helft stootten ze in de tweede helft door naar een mooie overwinning, onder meer doordat jongste de score opent door een corner binnen te koppen.
Na de wedstrijd, in het gangetje buiten de overvolle kleedkamer waar F1 gillend de overwinning viert, voel ik ineens mijn binnenzak trillen. Op het beeldscherm zie ik een nieuwe aangemaakte groep met mijn vriendin, mezelf en oudste: 'Ons gezin'. De jeugd leert razendsnel. Het mobieltje van oudste kent na anderhalf uur al geen geheimen meer.
"Wat is het geworden?" vraagt oudste in de eerste app.
"4-0 winst. Kopdoelpunt jongste," antwoord ik met het duimpje omhoog.
Nog voordat ik mijn telefoon heb opgeborgen, stapt jongste met een lang gezicht uit de kleedkamer. Weg is de euforie over de zege. In zijn hand heeft hij de gsm van zijn moeder en in zijn hoofd stormen vele gedachten. Huilend tegen mijn buik waaien ze eruit.
"Ik wilde zélf tegen oudste zeggen dat ik met het hoofd heb gescoord!" schreeuwt hij.
Meteen realiseer ik me dat de jaren tachtig ook bij mij diep zijn weggezakt. Het is veel leuker om het elkaar gewoon te vertéllen.
Abonneren op:
Reacties (Atom)