Iedereen had het over Messi. De nieuwslezer van het journaal op de radio, de buurman die de takjes van zijn auto veegde, het meisje in de winkel dat mij de broden overhandigde. Zelfs de oude dame in de rij bij de kassa met een chihuahua op de arm (ik zag meer een rozenkweker in haar of een lid van het sudokumarathoncomité in Bloemendaal), raakte niet uitgepraat over de wijze waarop Lionel Messi gisterenavond Bayern München elimineerde in de halve finale Champions League.
"Dat stiffie!"
Ik zat met mijn gedachten meer bij Boateng. Jérôme Boateng, de centrale verdediger van de Duitsers, de reus, de bootwerker, de marinier in het elitecorps van generaal Guardiola. Het was geen vallen meer wat hij daar deed, in de 80e minuut, toen Messi op hem af dribbelde en de bal afkapte.
Vallen, dat is alledaags. Je blijft hangen achter een drempel, stoot je knie en vloekt een keer. Je mist de laatste trede van de trap of de rechtsback weet met een uiterste sliding jou de bal te ontfutselen. Je verliest je evenwicht en met een mooie koprol bezweer je de zwaartekracht. Vallen is als koffie zetten, de bloemen water geven, een dagje naar het strand.
Wat Jérôme Boateng deed, vlak voor de Argentijn met een wippertje het tweede doelpunt aantekende en heel Nou Camp als een mantra zijn naam scandeerde, had niets met vallen te maken. Het leek nog het meest op beelden vanuit de oude Sovjet-Unie, na de val van de communisten. Ze roken de verandering, de Russen. Massaal gingen ze de straat op, en ademden diep de verse lucht in hun longen. Daarna gooiden ze een lang touw over het standbeeld van hun oude leider en samen, schouder en schouder, trokken ze tergend langzaam het verleden naar beneden. Boateng viel als Lenin van zijn sokkel.
woensdag 6 mei 2015
dinsdag 5 mei 2015
Galliërs
Het voetbalveldje op de camping in Nommerlayen bleek vol met gaten en hoog gras, maar oudste en jongste hadden al snel een betonnen pleintje gevonden met twee doeltjes. Toen ook twee andere jongens zich meldden begon een partijtje twee-tegen-twee. Het ging mooi gelijk op, maar oudste liet zich voor het doel enkele keren makkelijk passeren. Aan de zijlijn, met mijn billen op een ongemakkelijke rots, voelde ik de jeugdtrainer in mij naar boven borrelen:
"Meer op je voorvoeten staan, dan ben je wendbaarder!" hoorde ik mezelf roepen.
Bij de stand 4-4 stond ineens een opvallende knaap langs de lijn. Dure gympen, het haar strak naar achteren gekamd, de borst vooruit. Zoals hij op het schoolplein gewend was, nam het binkie meteen de regie in handen.
"Hé!" riep ie met een hoofdknik naar de voetballers, "Ik doe ook mee!"
Oudste, jongste en de twee tegenspelers lieten, met het zweet op het voorhoofd van het pittige potje, de bluf gelaten over zich heen komen.
"Okay, doe maar met hén mee," zei oudste, terwijl hij naar de overkant wees. Zijn baltechniek laat veel te wensen over, aan zelfvertrouwen heeft hij geen gebrek. Het binkie nam direct het initiatief. Hij eiste de bal op, negeerde opzichtig zijn medespelers en voerde uitdagend allerlei schijnbewegingen uit. In alles straalde hij uit: ook dit veld ga ik veroveren, maar jongste was niet zo onder de indruk. Met een snelle beweging van zijn voetzool veroverde hij de bal, tikte hem langs de ene kant van het binkie om zelf langs de andere kant te glippen.
Met de blik van Julius Ceasar die verslagen wordt door een klein dorpje dat dapper weerstand blijft bieden, keek het binkie achterom, waar hij zag hoe jongste rustig binnentikte. Oudste vond de tuchtiging nog niet genoeg.
"Kijk, je moet meer op je tenen staan, dan ben je wendbaarder," zei hij, maar Julius negeerde oudste die op zijn voorvoeten een jeugdtrainer nadeed. Met bekraste ziel verliet hij het slagveld, waarschijnlijk op zoek naar de tafeltennistafel, het springkussen of een andere plek waar jongeren zijn keizerlijke kwaliteiten wél op waarde zouden schatten.
"Meer op je voorvoeten staan, dan ben je wendbaarder!" hoorde ik mezelf roepen.
Bij de stand 4-4 stond ineens een opvallende knaap langs de lijn. Dure gympen, het haar strak naar achteren gekamd, de borst vooruit. Zoals hij op het schoolplein gewend was, nam het binkie meteen de regie in handen.
"Hé!" riep ie met een hoofdknik naar de voetballers, "Ik doe ook mee!"
Oudste, jongste en de twee tegenspelers lieten, met het zweet op het voorhoofd van het pittige potje, de bluf gelaten over zich heen komen.
"Okay, doe maar met hén mee," zei oudste, terwijl hij naar de overkant wees. Zijn baltechniek laat veel te wensen over, aan zelfvertrouwen heeft hij geen gebrek. Het binkie nam direct het initiatief. Hij eiste de bal op, negeerde opzichtig zijn medespelers en voerde uitdagend allerlei schijnbewegingen uit. In alles straalde hij uit: ook dit veld ga ik veroveren, maar jongste was niet zo onder de indruk. Met een snelle beweging van zijn voetzool veroverde hij de bal, tikte hem langs de ene kant van het binkie om zelf langs de andere kant te glippen.
Met de blik van Julius Ceasar die verslagen wordt door een klein dorpje dat dapper weerstand blijft bieden, keek het binkie achterom, waar hij zag hoe jongste rustig binnentikte. Oudste vond de tuchtiging nog niet genoeg.
"Kijk, je moet meer op je tenen staan, dan ben je wendbaarder," zei hij, maar Julius negeerde oudste die op zijn voorvoeten een jeugdtrainer nadeed. Met bekraste ziel verliet hij het slagveld, waarschijnlijk op zoek naar de tafeltennistafel, het springkussen of een andere plek waar jongeren zijn keizerlijke kwaliteiten wél op waarde zouden schatten.
zondag 3 mei 2015
Ondeugend
Van Luxemburg zie je vaak alleen de snelweg op doorreis naar Zuid-Europa, maar in de meivakantie namen we er een afslag voor een kampeerweek. De glooiende natuur bleek er prachtig, de brandstofprijzen ook. De euro's die we bij het eerste de beste benzinestation bespaarden, gaven we uit in de broodjeshoek van de pompwinkel. Met een grote fles in haar hand vroeg het meisje of we mayonaise op de broodjes kaas wilden.
"Goh, gaat dat zó in Luxemburg?" stelde oudste verlekkerd vast.
Dat het nog spannender kon, merkte ik toen we ons nestelden aan de enige tafel in de snackhoek die voor een grote lectuurwand stond opgesteld. In een nanoseconde scande ik op de onderste rijen de kranten en puzzelboekjes. Ook het middensegment met glossy's had ik zo doorzocht, maar mijn blik bleef als een vishaak steken bij de bovenste plank waar een lange galerij met mannenblaadjes was neergelegd. Terwijl om mij heen de broodjes gezond mét mayonaise in monden verdwenen, vochten vanaf de voorpagina's talloze naakte vrouwen om mijn aandacht. Een strijd die werd gewonnen door een blondine die me ondeugend aankeek en schaamteloos met twee vingers de lipjes tussen haar dijbenen spreidde.
"Lekker!" zei mijn vriendin, een halve meter lager. Ze bedoelde haar broodje.
Ongemakkelijk verschoof ik mijn billen op de stoel.
"Eh, ... wat gaan we als eerste op de camping doen?" vroeg ik aan de jongens.
"Voetballen!" riep jongste enthousiast, maar mijn afleidingsmanoeuvre was niet aan oudste besteed. Als een toeschouwer bij een boeiende tenniswedstrijd gleden zijn ogen over de bovenste plank van links naar rechts.
"Goh, gaat dat zó in Luxemburg!" zei hij voor de tweede keer in vijf minuten. Zijn moeder draaide zich om, het hoofd van jongste zwenkte omhoog. Beiden keken nu recht in het broodje warm vlees van de blondine.
"Dat is een vagina," zei oudste ter verduidelijking. De jongens gingen nu de meisjes af als marmotjes in een dierenshop.
"Deze is schattig!"
"Tjonge, die heeft grote!"
"Wat een gekke knieën!"
"Zij heeft mooie ogen!"
Een kwartier later verlieten we het benzinestation. In de auto gloeide de anatomische les nog na. Met blozende kaken zette ik koers naar de camping.
"Ik hoop dat er een voetbalveldje is," zei jongste vanaf de achterbank.
Gelukkig, zijn prioriteiten waren weer snel op orde.
"Goh, gaat dat zó in Luxemburg?" stelde oudste verlekkerd vast.
Dat het nog spannender kon, merkte ik toen we ons nestelden aan de enige tafel in de snackhoek die voor een grote lectuurwand stond opgesteld. In een nanoseconde scande ik op de onderste rijen de kranten en puzzelboekjes. Ook het middensegment met glossy's had ik zo doorzocht, maar mijn blik bleef als een vishaak steken bij de bovenste plank waar een lange galerij met mannenblaadjes was neergelegd. Terwijl om mij heen de broodjes gezond mét mayonaise in monden verdwenen, vochten vanaf de voorpagina's talloze naakte vrouwen om mijn aandacht. Een strijd die werd gewonnen door een blondine die me ondeugend aankeek en schaamteloos met twee vingers de lipjes tussen haar dijbenen spreidde.
"Lekker!" zei mijn vriendin, een halve meter lager. Ze bedoelde haar broodje.
Ongemakkelijk verschoof ik mijn billen op de stoel.
"Eh, ... wat gaan we als eerste op de camping doen?" vroeg ik aan de jongens.
"Voetballen!" riep jongste enthousiast, maar mijn afleidingsmanoeuvre was niet aan oudste besteed. Als een toeschouwer bij een boeiende tenniswedstrijd gleden zijn ogen over de bovenste plank van links naar rechts.
"Goh, gaat dat zó in Luxemburg!" zei hij voor de tweede keer in vijf minuten. Zijn moeder draaide zich om, het hoofd van jongste zwenkte omhoog. Beiden keken nu recht in het broodje warm vlees van de blondine.
"Dat is een vagina," zei oudste ter verduidelijking. De jongens gingen nu de meisjes af als marmotjes in een dierenshop.
"Deze is schattig!"
"Tjonge, die heeft grote!"
"Wat een gekke knieën!"
"Zij heeft mooie ogen!"
Een kwartier later verlieten we het benzinestation. In de auto gloeide de anatomische les nog na. Met blozende kaken zette ik koers naar de camping.
"Ik hoop dat er een voetbalveldje is," zei jongste vanaf de achterbank.
Gelukkig, zijn prioriteiten waren weer snel op orde.
maandag 20 april 2015
Meneer Alzheimer
Het kampioensfeest in Eindhoven leidde bij jongste tot een gevoel van extase, maar bij gebrek aan gelijkgestemden in huis richtte hij zijn vreugde op de enige andere PSV-supporter in de familie: zijn opa.
"Heb je PSV gisteren gezien, opa?!" vroeg jongste zondag, nog op de drempel van het zorgappartement van zijn grootouders.
"PSV?" De drie letters van zijn favoriete voetbalclub trokken bij opa het deksel van een koffer, dat in een stoffig hoekje van zijn geheugen mooie herinneringen bij elkaar hield. Opa rechtte zijn rug, in zijn ogen werd een vuur ontstoken. Zijn kleinzoon, nog steeds op zoek naar een bondgenoot, wachtte met verlangen op een antwoord. Jongste besefte niet dat zijn vraag een oceaan wierp tussen het duinlandschap waarop hij stond en een onbereikbare eiland aan de horizon, zijn grootvader.
Op het strandje van opa rolden geen geluksgolven met rake kopballen van Luuk de Jong, een vrije trap van Depay en PSV'ers die met een selfiestick de ereronde vastlegden. Opa staarde uit het raam, naar een punt in de verte. Hij zag zichzelf staan met een seizoenskaart op de lange L-side, met een broodje kroket van één gulden in de hand, juichend voor een goal van Ralf Edström of een redding van Van Beveren.
"Wie vond jij de beste van PSV, opa?" vroeg jongste nog een keer.
"Willy van der Kuylen," antwoordde opa. Hij aaide zijn kleinzoon over zijn kruin en gooide er een gulle lach achteraan. In tijd lichtjaren van elkaar verwijderd, jongste en opa, maar voor een paar seconden verenigd in liefde voor hun club.
"Heb je PSV gisteren gezien, opa?!" vroeg jongste zondag, nog op de drempel van het zorgappartement van zijn grootouders.
"PSV?" De drie letters van zijn favoriete voetbalclub trokken bij opa het deksel van een koffer, dat in een stoffig hoekje van zijn geheugen mooie herinneringen bij elkaar hield. Opa rechtte zijn rug, in zijn ogen werd een vuur ontstoken. Zijn kleinzoon, nog steeds op zoek naar een bondgenoot, wachtte met verlangen op een antwoord. Jongste besefte niet dat zijn vraag een oceaan wierp tussen het duinlandschap waarop hij stond en een onbereikbare eiland aan de horizon, zijn grootvader.
Op het strandje van opa rolden geen geluksgolven met rake kopballen van Luuk de Jong, een vrije trap van Depay en PSV'ers die met een selfiestick de ereronde vastlegden. Opa staarde uit het raam, naar een punt in de verte. Hij zag zichzelf staan met een seizoenskaart op de lange L-side, met een broodje kroket van één gulden in de hand, juichend voor een goal van Ralf Edström of een redding van Van Beveren.
"Wie vond jij de beste van PSV, opa?" vroeg jongste nog een keer.
"Willy van der Kuylen," antwoordde opa. Hij aaide zijn kleinzoon over zijn kruin en gooide er een gulle lach achteraan. In tijd lichtjaren van elkaar verwijderd, jongste en opa, maar voor een paar seconden verenigd in liefde voor hun club.
maandag 13 april 2015
Dromerig
Na de uitwedstrijd tegen vv Dongen duurde de terugreis lang. Vanaf de achterbank werd de TomTom op het dashboard nauwlettend in de gaten gehouden.
"Nog 21 minuten," zei jongste verveeld.
Naast hem zat J., de doelman van zijn F-team. Met een knuist onder zijn kin staarde ie naar de weilanden die aan hem voorbij trokken. Er was best veel te zien, paarden, schapen een ooievaar op een nest, maar waarschijnlijk waren zijn gedachten nog bij de wedstrijd die net verloren was gegaan. Hij had vier keer de bal uit het net moeten halen, maar had nog veel meer schoten tegengehouden.
Om de tijd te doden pakte jongste een boek uit het schap van het zijportier, een kwisboek dat ie deze week bij de bieb leende.
"Wat slaat een kameel op in zijn bulten," vroeg ie aan zijn reisgenoten. We dachten allemaal na over de vulling van kamelenbulten, maar jongste gooide er meteen een nieuwe vraag achteraan.
"Waar heb je pijn als je migraine hebt?"
"Goh, je kunt al goed lezen," zei de moeder van J., die naast me op de bijrijdersstoel zat. Ze voelde aan dat jongste, na de 4-2 nederlaag, wel een complimentje kon gebruiken. Hij glunderde.
"Op school lees ik al in eind groep 6," zei hij trots.
"Zit jij ook in 'E6'?" vroeg jongste aan J., die nog steeds dromerig naar de landerijen staarde.
"Huh, ...eh, ...nee...," zei J. verstrooid, "maar ik heb wel al een keer bij E9 gekeept."
Hij zat met zijn gedachten inderdaad nog bij het voetballen.
"Nog 21 minuten," zei jongste verveeld.
Naast hem zat J., de doelman van zijn F-team. Met een knuist onder zijn kin staarde ie naar de weilanden die aan hem voorbij trokken. Er was best veel te zien, paarden, schapen een ooievaar op een nest, maar waarschijnlijk waren zijn gedachten nog bij de wedstrijd die net verloren was gegaan. Hij had vier keer de bal uit het net moeten halen, maar had nog veel meer schoten tegengehouden.
Om de tijd te doden pakte jongste een boek uit het schap van het zijportier, een kwisboek dat ie deze week bij de bieb leende.
"Wat slaat een kameel op in zijn bulten," vroeg ie aan zijn reisgenoten. We dachten allemaal na over de vulling van kamelenbulten, maar jongste gooide er meteen een nieuwe vraag achteraan.
"Waar heb je pijn als je migraine hebt?"
"Goh, je kunt al goed lezen," zei de moeder van J., die naast me op de bijrijdersstoel zat. Ze voelde aan dat jongste, na de 4-2 nederlaag, wel een complimentje kon gebruiken. Hij glunderde.
"Op school lees ik al in eind groep 6," zei hij trots.
"Zit jij ook in 'E6'?" vroeg jongste aan J., die nog steeds dromerig naar de landerijen staarde.
"Huh, ...eh, ...nee...," zei J. verstrooid, "maar ik heb wel al een keer bij E9 gekeept."
Hij zat met zijn gedachten inderdaad nog bij het voetballen.
Abonneren op:
Posts (Atom)