Corona. Zo, dat is eruit. Tot vandaag heb ik dat woord op deze plek nog geen enkele keer gebruikt. Je komt het namelijk overál tegen: bij de ingang van de supermarkt, op de radio, op tv. Het maakt je coronamoe. De ochtendkrant, zelfs de zaterdageditie met de dikte van een half telefoonboek; ik ga erdoorheen als ome Willem door zijn papieren entree.
Twee maanden geleden zochten we een schuilkelder voor een Derde Wereldoorlog (Iran-Trump) en meldden wanhopige vluchtelingen zich aan de grens van Europa. Alles wordt nu onder het kleed geschoven door de pandemie. Graag zie ik bij Jinek ‘het overige wereldleed’ weer aanschuiven. Ik hunker naar grote koppen op de voorpagina over een gestolen Van Gogh.
Door de complete afwezigheid van corona-nieuws is het zorgappartementje van mijn dementerende ouders een oase van rust. Ik kom er graag. Op de boterham pindakaas of Old Amsterdam, verder gaan de problemen niet. Een paar dagen geleden schrok mijn vader (86) echter van mijn binnenkomst.
“Moét jij niet binnen blijven?!”
Ik schrok ook. Hier nu ook al? Verbaasd vroeg ik waarom.
“Ja, vanwege het macaroni-virus!”
Met één woord zette hij dat hele virus op zijn plek. Dan ben je een grote.
woensdag 1 april 2020
Dag 11 t/m 15
Dag 11
Afstand houden. Tot tien dagen geleden betekende dat negen meter vijftien tot aan het muurtje, handjes voor de pielemuis. Inmiddels is de anderhalve meter net zo normaal als de kliko buiten op maandag en Peter R. de Vries aan tafel bij Jinek. Toch is de één er meer bedreven in dan de ander. Bij de weekmarkt stuit ik bij de groente- en fruitkraam op een staaltje ‘afstandhouden voor gevorderden’. Alle zeven klanten vóór mij zorgen voor een vrije bewegingscirkel met een straal van minstens 6 meter. Een bizar gezicht. Zeven eilandjes verdeeld over het plein. Ik waan me in een aflevering van ‘Wie is de mol?’, ik zie alleen nergens Nathan Rutjes.
Een lange wachtrij voor de groentekraam, toch snap ik dat wel. Voorlopig zijn de radijsjes, mandarijnen en stronken prei het enige houvast voor een land in nood. Vitaminen en mineralen als surrogaat voor een vaccin.
Als ik eindelijk aan de beurt ben, prikt een man met een grijze hangsnor mijn beschermingsbubbel brutaal lek. Hij staat pal naast me. Nog voor ik het groentemeisje om bananen kan vragen zit hij met zijn tengels aan mijn tros.
“Schatje, zijn dit Chiquita’s?”, vraagt de snor schijtlollig voor zijn beurt.
Het groentemeisje en ik wisselen vluchtig een blik. Onze mondhoeken krullen. We denken hetzelfde. Hij is de mol.
Dag 12
Het werd de dag waarvan je wist dat ie ging komen. Het hoofdhaar van de jongens woekerde eind februari al als een klimplant met groeihormonen, maar een bezoek aan de kapper bleef onderaan hun prioriteitenlijstje. Tja, toen alle kapsalons de deuren moesten sluiten en de lokken als overgordijnen voor hun ogen hingen, wist ik hoe laat het was. Ineens stond hun moeder naast een keukenstoel, een schaar van de Blokker dwingend in haar hand.
Oudste vluchtte met een knutselvariant naar de badkamer (“ik doe het zelf!”), maar Jongste ging meteen zitten. Hij beschouwt zijn moeder als een gediplomeerd huisarts, chef-kok, huiswerkbegeleider, fietsenmaker en masseur inéén. Daar kon de rol van kapper met gemak bij. De tondeuse snorde luid over zijn flanken.
De kapsalon viel stil toen Oudste terugkeerde in de keuken. Als jaren-vijftig-kapsels-met-scheef-afgesneden-pony’s komende zomer in de mode komen; ja, dán was het gelukt. Onze hoon duwde hem alsnog in de keukenstoel. Mijn vriendin nam een tel de ravage in ogenschouw en liet toen de schaar het werk doen. Grote vlokken sneuvelden. Het herstel was bemoedigend, een dot gel deed de rest. Terwijl ik de tegelvloer bij elkaar veegde tot twee volwassen cavia’s, inspecteerde Oudste zijn spiegelbeeld. Meneer was onder de indruk.
“Kun je ook een zijscheiding?”
Dag 13
De Wereld Draait Door is dus gestopt. In een kale studio ging Matthijs voor de laatste keer aan tafel. Zonder applaus, zonder gasten. De overeenkomsten met de situatie in den lande hoef ik niet uit de leggen.
DWDD bracht vijftien jaar culturele, politieke en wetenschappelijke onderwerpen in kleine, hapklare brokjes. Een zwart gat in het heelal, een punkrockbandje uit Delft, een gerecht met dadels en mierikswortel; Matthijs schakelde met verbluffend gemak van groot naar klein, van smaakvol naar plat.
Eén van de indrukwekkendste DWDD-momenten in al die jaren zat in de voorlaatste aflevering, die geheel gewijd was aan Abdelhak Nouri. Niet het geneuzel over mogelijke nalatigheid en de financiële afwikkeling; bijverschijnselen van een samenleving op zijn retour. De schoonheid zat in het gedeelte daarna. In een kring zaten Donny van de Beek, Steven Bergwijn, Frenkie de Jong en Nouri’s broer Mo. Er werden woorden gesproken, maar die waren overbodig. Het verdriet over een verloren vriend, voetbalmaatje en broer hing zwaar in de stiltes ertussen.
Precies zo luisteren we al weken naar journalisten, politici en virologen. Veel meningen, zo veel woorden. De angst om te verliezen wat we hebben: het nestelt zich als een nekhernia in de stiltes ertussen.
Dag 14
De zaterdag. Ooit wist ik er wel raad mee. Opstaan met een twinkeling. Na het ontbijt de opstelling bedenken voor de wedstrijd van Oudste, checken of er lucht bij de ballen moet.
Het mooiste is het verzamelen. Dertien puberjongens bij elkaar in een kleedlokaal; het brengt je terug naar waar je zelf ooit stond, trappelend met je neus tegen het venster van het Grote Leven. Het zit in de branie, de jongensstemmen die breken, het testosteron waarmee ze hun telefoon checken of het meisje al gereageerd heeft. Als koeien op de eerste lentedag willen ze de toekomst induiken. Ze verwachten één groot festival en hebben nog geen weet van het mijnenveld in donkere hoekjes.
Na afloop van de wedstrijd de euforie, of de schoen die woest wordt uitgeklopt. In de kantine trots koffie drinken met de andere ouders alsof we zelf dat doelpunt maakten en het appje van mijn vriendin die bij de wedstrijd van Jongste was: ‘2-1 gewonnen! Mooie assist.’
’s Avonds thuis een pastaschotel in de oven met de onvermijdelijke vraag:
“Feyenoord/Ajax/PSV is op tv, eten we met het bord op schoot?”
De dagen zijn wreed, maar ook leerzaam. Met voetbalgeluk is het net zo als met André van Duin in die gekke bak van Fred Oster, de koetjesreep, bevroren vijvers in januari en duizenden andere dingen: je gaat het pas echt waarderen als het er niet meer is.
Dag 15
“We zitten nu toch één week thuis?”, zegt Oudste, met de ogen op zijn Fifa-potje gericht.
Na veertien dagen is zo’n vraag goed nieuws. Ook Jongste gaat als een speer. Voor school kreeg hij voor het vak Nederlands de opdracht een tekst van minstens 500 woorden te schrijven met als titel ‘Mijn leven in crisistijd’. Was zo gepiept. De beknopte versie: thuiszitten is goed als je anderen ermee helpt, ik heb veel lol met mijn broer, maar ik mis toch ook wel mijn vrienden. 521 woorden.
Nu hebben de jongens in deze verplichte thuissituatie natuurlijk wel een troefkaart in handen. Het zijn dikke maten. Ook in ‘the old days’ hadden ze vaak genoeg aan elkaar. Een beeldscherm, een goed gevulde koelkast, de inrit voor het dagelijkse potje één-op-één; de jongens zouden het maanden volhouden.
Oudste verliest zijn Fifa-wedstrijd nipt. “Ha, ha!”, jent Jongste. Verkeerde opmerking op het verkeerde moment. Oudste vliegt hem aan. Die kan dus boven gaan afkoelen, Jongste naar de gang wegens uitlokking in de eerste graad. Een paar minuten later keert mijn vriendin terug van haar dienst. Hoe ging het hier, vraagt ze. Ik denk aan hun dagen die voorbij vliegen. Af en toe vuurwerk. Ik haal mijn schouders op.
“Gewoon. Weer een dagje op kantoor.”
Afstand houden. Tot tien dagen geleden betekende dat negen meter vijftien tot aan het muurtje, handjes voor de pielemuis. Inmiddels is de anderhalve meter net zo normaal als de kliko buiten op maandag en Peter R. de Vries aan tafel bij Jinek. Toch is de één er meer bedreven in dan de ander. Bij de weekmarkt stuit ik bij de groente- en fruitkraam op een staaltje ‘afstandhouden voor gevorderden’. Alle zeven klanten vóór mij zorgen voor een vrije bewegingscirkel met een straal van minstens 6 meter. Een bizar gezicht. Zeven eilandjes verdeeld over het plein. Ik waan me in een aflevering van ‘Wie is de mol?’, ik zie alleen nergens Nathan Rutjes.
Een lange wachtrij voor de groentekraam, toch snap ik dat wel. Voorlopig zijn de radijsjes, mandarijnen en stronken prei het enige houvast voor een land in nood. Vitaminen en mineralen als surrogaat voor een vaccin.
Als ik eindelijk aan de beurt ben, prikt een man met een grijze hangsnor mijn beschermingsbubbel brutaal lek. Hij staat pal naast me. Nog voor ik het groentemeisje om bananen kan vragen zit hij met zijn tengels aan mijn tros.
“Schatje, zijn dit Chiquita’s?”, vraagt de snor schijtlollig voor zijn beurt.
Het groentemeisje en ik wisselen vluchtig een blik. Onze mondhoeken krullen. We denken hetzelfde. Hij is de mol.
Dag 12
Het werd de dag waarvan je wist dat ie ging komen. Het hoofdhaar van de jongens woekerde eind februari al als een klimplant met groeihormonen, maar een bezoek aan de kapper bleef onderaan hun prioriteitenlijstje. Tja, toen alle kapsalons de deuren moesten sluiten en de lokken als overgordijnen voor hun ogen hingen, wist ik hoe laat het was. Ineens stond hun moeder naast een keukenstoel, een schaar van de Blokker dwingend in haar hand.
Oudste vluchtte met een knutselvariant naar de badkamer (“ik doe het zelf!”), maar Jongste ging meteen zitten. Hij beschouwt zijn moeder als een gediplomeerd huisarts, chef-kok, huiswerkbegeleider, fietsenmaker en masseur inéén. Daar kon de rol van kapper met gemak bij. De tondeuse snorde luid over zijn flanken.
De kapsalon viel stil toen Oudste terugkeerde in de keuken. Als jaren-vijftig-kapsels-met-scheef-afgesneden-pony’s komende zomer in de mode komen; ja, dán was het gelukt. Onze hoon duwde hem alsnog in de keukenstoel. Mijn vriendin nam een tel de ravage in ogenschouw en liet toen de schaar het werk doen. Grote vlokken sneuvelden. Het herstel was bemoedigend, een dot gel deed de rest. Terwijl ik de tegelvloer bij elkaar veegde tot twee volwassen cavia’s, inspecteerde Oudste zijn spiegelbeeld. Meneer was onder de indruk.
“Kun je ook een zijscheiding?”
Dag 13
De Wereld Draait Door is dus gestopt. In een kale studio ging Matthijs voor de laatste keer aan tafel. Zonder applaus, zonder gasten. De overeenkomsten met de situatie in den lande hoef ik niet uit de leggen.
DWDD bracht vijftien jaar culturele, politieke en wetenschappelijke onderwerpen in kleine, hapklare brokjes. Een zwart gat in het heelal, een punkrockbandje uit Delft, een gerecht met dadels en mierikswortel; Matthijs schakelde met verbluffend gemak van groot naar klein, van smaakvol naar plat.
Eén van de indrukwekkendste DWDD-momenten in al die jaren zat in de voorlaatste aflevering, die geheel gewijd was aan Abdelhak Nouri. Niet het geneuzel over mogelijke nalatigheid en de financiële afwikkeling; bijverschijnselen van een samenleving op zijn retour. De schoonheid zat in het gedeelte daarna. In een kring zaten Donny van de Beek, Steven Bergwijn, Frenkie de Jong en Nouri’s broer Mo. Er werden woorden gesproken, maar die waren overbodig. Het verdriet over een verloren vriend, voetbalmaatje en broer hing zwaar in de stiltes ertussen.
Precies zo luisteren we al weken naar journalisten, politici en virologen. Veel meningen, zo veel woorden. De angst om te verliezen wat we hebben: het nestelt zich als een nekhernia in de stiltes ertussen.
Dag 14
De zaterdag. Ooit wist ik er wel raad mee. Opstaan met een twinkeling. Na het ontbijt de opstelling bedenken voor de wedstrijd van Oudste, checken of er lucht bij de ballen moet.
Het mooiste is het verzamelen. Dertien puberjongens bij elkaar in een kleedlokaal; het brengt je terug naar waar je zelf ooit stond, trappelend met je neus tegen het venster van het Grote Leven. Het zit in de branie, de jongensstemmen die breken, het testosteron waarmee ze hun telefoon checken of het meisje al gereageerd heeft. Als koeien op de eerste lentedag willen ze de toekomst induiken. Ze verwachten één groot festival en hebben nog geen weet van het mijnenveld in donkere hoekjes.
Na afloop van de wedstrijd de euforie, of de schoen die woest wordt uitgeklopt. In de kantine trots koffie drinken met de andere ouders alsof we zelf dat doelpunt maakten en het appje van mijn vriendin die bij de wedstrijd van Jongste was: ‘2-1 gewonnen! Mooie assist.’
’s Avonds thuis een pastaschotel in de oven met de onvermijdelijke vraag:
“Feyenoord/Ajax/PSV is op tv, eten we met het bord op schoot?”
De dagen zijn wreed, maar ook leerzaam. Met voetbalgeluk is het net zo als met André van Duin in die gekke bak van Fred Oster, de koetjesreep, bevroren vijvers in januari en duizenden andere dingen: je gaat het pas echt waarderen als het er niet meer is.
Dag 15
“We zitten nu toch één week thuis?”, zegt Oudste, met de ogen op zijn Fifa-potje gericht.
Na veertien dagen is zo’n vraag goed nieuws. Ook Jongste gaat als een speer. Voor school kreeg hij voor het vak Nederlands de opdracht een tekst van minstens 500 woorden te schrijven met als titel ‘Mijn leven in crisistijd’. Was zo gepiept. De beknopte versie: thuiszitten is goed als je anderen ermee helpt, ik heb veel lol met mijn broer, maar ik mis toch ook wel mijn vrienden. 521 woorden.
Nu hebben de jongens in deze verplichte thuissituatie natuurlijk wel een troefkaart in handen. Het zijn dikke maten. Ook in ‘the old days’ hadden ze vaak genoeg aan elkaar. Een beeldscherm, een goed gevulde koelkast, de inrit voor het dagelijkse potje één-op-één; de jongens zouden het maanden volhouden.
Oudste verliest zijn Fifa-wedstrijd nipt. “Ha, ha!”, jent Jongste. Verkeerde opmerking op het verkeerde moment. Oudste vliegt hem aan. Die kan dus boven gaan afkoelen, Jongste naar de gang wegens uitlokking in de eerste graad. Een paar minuten later keert mijn vriendin terug van haar dienst. Hoe ging het hier, vraagt ze. Ik denk aan hun dagen die voorbij vliegen. Af en toe vuurwerk. Ik haal mijn schouders op.
“Gewoon. Weer een dagje op kantoor.”
Dag 6 t/m 10
Dag 6
In mijn bubbel volg ik het nieuws. Het liefst via het Jeugdjournaal. Dan krijg je óók het leed als een emmer zure regen over je heen, maar door de Jip-en-Janneke-taal klinkt het nog een beetje gezéllig.
Daarnaast heb ik mijn vriendin. Onze vaste routine is dat ze na elke dienst in het ziekenhuis me even bijpraat. Stoom afblazen. Deze dagen duren die sessies wat langer. Ze werkt niet op de IC-afdeling, maar wel dichtbij de brandhaard. Bij mijn vriendin en haar collega’s groeit het rood op de wangen. Onrust over nieuwe protocollen en afdelingen die ingericht worden voor de sterk groeiende stroom met besmette patiënten.
Hoewel ze een vrije dag had, werd ze gisteren tegen het middaguur door het ziekenhuis opgeroepen voor een extra avonddienst: “Dat zou wel eens op zo’n nieuw ingerichte afdeling kunnen zijn.”
Zoals altijd smeerde ik haar boterhammen. Jonge kaas. Een kus bij de deur. Dagelijkse kost als een gehaktbal op woensdag. Bij thuiskomst weer bijpraten over de trouwplannen van een collega of een grappig voorval op de zaal. Gisteren was het anders. Ik keek haar langer na. Ze ging als een soldaat naar het front.
Dag 7
Een week in thuisisolatie. Hoog tijd om de balans op te maken. Les één: de dagen vliegen voorbij. Les twee: het gezin is flexibel. Gedwongen vierentwintig uur op elkaars lip, het vereist welwillendheid en je moet de irritatie te lijf, maar we krijgen de dag opnieuw ingedeeld. Les drie: niets is vanzelfsprekend. Je herwaardeert het gewone. De ochtendkrant, beleg op je brood, een gezond lichaam.
Eigenlijk wordt de leerwinst van deze week het beste geïllustreerd door een televisieprogramma dat Oudste gisteren zat te kijken. Een jongen stond met microfoon op een plein voor een bejaardenflat. Hij zong ‘zij gelooft in mij’. De oudjes hingen dankbaar uit hun ramen en deinden mee.
Misschien dat we straks weer stoer de dagen gaan vullen met het najagen van een groter huis of meer volgers op Instagram, maar één beeld zei gisterenavond voldoende. Op de balustrade voor haar appartementje kreeg oma Sientje een bosje tulpen. Op het kaartje stond dat de kleinkinderen haar misten. Haar reactie zei alles en toont na een week van gedwongen isolatie met verbluffende eenvoud dat wat we werkelijk nodig hebben zich als een virus verspreidt door verbinding, vrijgevigheid, intimiteit.
All you need is love, mensen.
Dag 8
Als ik ’s morgens vroeg het bed verlaat voor het toilet ben ik mijn plekje kwijt. Jongste glipt achter me door en draait zich handig in de geborgen armen van zijn moeder.
“Hoe was je dienst, mama?”, vraagt ie. Het werk van zijn moeder houdt hem bezig.
“Nou, wel zwaar eigenlijk”, antwoordt ze.
“Maar hoezo dan?”
Ik ben benieuwd of ze Jongste hetzelfde verhaal gaat vertellen. Ze duwt zichzelf omhoog tegen de achterkant van het bed.
“De afdeling ligt bijna vol. Ook met meerderen op één kamer. Elke patiënt heeft een groot beademingsmasker voor het gezicht. De meesten ademen erg moeizaam.”
“Zit de familie erbij?”
“Nee. Eén keer per dag mag er één familielid bij. Volledig in beschermende kleding.”
“Maar die patiënten kunnen toch dood gaan?”
“Het kán dat ze erdoorheen komen, maar het kan ook dat ze het niet redden, nee.”
“Maar dan is er dus misschien niemand bij. Alleen jij. In een maanpak?”
“Of niemand. Er liggen veel patiënten. En er komen er steeds meer bij.”
Jongste valt stil. In zijn hoofd gebeurt veel. En dan heeft zijn moeder nog voor de kinderversie gekozen. Oudste komt de slaapkamer binnen, hij schuift het gordijn opzij. Het binnenvallende licht maakt zijn ogen tot spleetjes.
“Wat gaan we vandaag doen?” geeuwt ie.
Zijn broer verstevigt de greep om zijn moeder en zegt: “Onze taak: we blijven binnen.”
Hij heeft goed opgelet tijdens deze les.
Dag 9
De grootste deugd is tegenwoordig aanpassingsvermogen. Iedereen schakelt, zoals de restauranteigenaar die een dinerbezorgservice begint. Ook ik moest vol aan de bak.
Twee weken geleden stond ik nog met een krijtje voor het bord. Onderwijs uit het aap-noot-mies-tijdperk. Na een gigantische krachttoer van ICT-collega’s heb ik gisteren mijn eerste online-les gegeven. Terwijl de jongens in de huiskamer met hun moeder een grote puzzel legden, vertelde ik vanachter een laptop op de keukentafel over het lijdend voorwerp. Met behulp van hun telefoon of iPad werd die instructie door de leerlingen in hun thuissituatie gevolgd. Waanzinnig dat het kán. De één in konijnen-onesie vanuit zijn bed, de ander met een zak chipito’s, net buiten beeld. Wat geeft het: het onderwijs ging gewoon dóór.
Het incasseringsvermogen van iedereen is de afgelopen weken behoorlijk aangesproken. De maatregelen tot 1 juni: het wordt een beproeving. We zijn het tuimelpoppetje uit de babykamer dat na een dreun even alle kanten op zwenkt. Maar gedwongen door een venijnig virus vond ik, in nimmer bezochte krochten van mijn hersenpan, onvermoede digitale mogelijkheden. Het biedt nieuwe kansen.
Wereldwijd wordt in laboratoria gespeurd naar een geneesmiddel. Op veel kleinere schaal organiseren buurtverenigingen klusjesdiensten voor hulpbehoevenden in de straat. De veerkracht van de samenleving blijkt enorm. We gaan het redden met zijn allen. Die tuimelpop komt weer fier overeind.
Dag 10
Okay, dus deze zomer ook een streep door de Olympische Spelen. Alles wordt minder. Het enige dat méér wordt zijn emoties. Vrees, twijfel, paranoia; het kruipt onder de huid als schimmel onder nat behang. Met opzet zoeken we daarom de vrolijkheid op, bijvoorbeeld door samen met de jongens nieuwe gerechten te bereiden.
“Moet dat Franse kaasje echt bij de pasta, pap?”
“Yep, probeer maar.”
“Mm, eigenlijk best lekker!”
Andere luchtigheid vind ik bij DWDD. Maandag stond Willeke Alberti daar op het Podium Van Gedeelde Smart. Ze zong ‘Samen zijn’, normaal een lied vol vals sentiment, maar nu vatte het genadeloos ons uitgeklede leven samen. Vergeefs probeerde ik grote brokken weg te slikken.
“Wat is er, papa?”
“Eh, …. Ja, eh, …. ik denk een beetje te veel Franse kaas, jongen.”
Emotie overviel me ook tijdens een wandeling bij het vallen van de avond. Tussen twee boerderijen door zag mijn vriendin in de verte ineens vier reeën in een open veld. De ondergaande zon boven de bosrand maakte het moment compleet. Een paar seconden staarden twee werelden naar elkaar, de reeën en mijn vriendin en ik. Ook crisistijd deelt cadeautjes uit. Opnieuw probeerde ik gehaast de emotie weg te slikken. Met lichte spot keek mijn meisje opzij.
“Te veel Franse kaas?”
Ze kent me langer dan vandaag.
In mijn bubbel volg ik het nieuws. Het liefst via het Jeugdjournaal. Dan krijg je óók het leed als een emmer zure regen over je heen, maar door de Jip-en-Janneke-taal klinkt het nog een beetje gezéllig.
Daarnaast heb ik mijn vriendin. Onze vaste routine is dat ze na elke dienst in het ziekenhuis me even bijpraat. Stoom afblazen. Deze dagen duren die sessies wat langer. Ze werkt niet op de IC-afdeling, maar wel dichtbij de brandhaard. Bij mijn vriendin en haar collega’s groeit het rood op de wangen. Onrust over nieuwe protocollen en afdelingen die ingericht worden voor de sterk groeiende stroom met besmette patiënten.
Hoewel ze een vrije dag had, werd ze gisteren tegen het middaguur door het ziekenhuis opgeroepen voor een extra avonddienst: “Dat zou wel eens op zo’n nieuw ingerichte afdeling kunnen zijn.”
Zoals altijd smeerde ik haar boterhammen. Jonge kaas. Een kus bij de deur. Dagelijkse kost als een gehaktbal op woensdag. Bij thuiskomst weer bijpraten over de trouwplannen van een collega of een grappig voorval op de zaal. Gisteren was het anders. Ik keek haar langer na. Ze ging als een soldaat naar het front.
Dag 7
Een week in thuisisolatie. Hoog tijd om de balans op te maken. Les één: de dagen vliegen voorbij. Les twee: het gezin is flexibel. Gedwongen vierentwintig uur op elkaars lip, het vereist welwillendheid en je moet de irritatie te lijf, maar we krijgen de dag opnieuw ingedeeld. Les drie: niets is vanzelfsprekend. Je herwaardeert het gewone. De ochtendkrant, beleg op je brood, een gezond lichaam.
Eigenlijk wordt de leerwinst van deze week het beste geïllustreerd door een televisieprogramma dat Oudste gisteren zat te kijken. Een jongen stond met microfoon op een plein voor een bejaardenflat. Hij zong ‘zij gelooft in mij’. De oudjes hingen dankbaar uit hun ramen en deinden mee.
Misschien dat we straks weer stoer de dagen gaan vullen met het najagen van een groter huis of meer volgers op Instagram, maar één beeld zei gisterenavond voldoende. Op de balustrade voor haar appartementje kreeg oma Sientje een bosje tulpen. Op het kaartje stond dat de kleinkinderen haar misten. Haar reactie zei alles en toont na een week van gedwongen isolatie met verbluffende eenvoud dat wat we werkelijk nodig hebben zich als een virus verspreidt door verbinding, vrijgevigheid, intimiteit.
All you need is love, mensen.
Dag 8
Als ik ’s morgens vroeg het bed verlaat voor het toilet ben ik mijn plekje kwijt. Jongste glipt achter me door en draait zich handig in de geborgen armen van zijn moeder.
“Hoe was je dienst, mama?”, vraagt ie. Het werk van zijn moeder houdt hem bezig.
“Nou, wel zwaar eigenlijk”, antwoordt ze.
“Maar hoezo dan?”
Ik ben benieuwd of ze Jongste hetzelfde verhaal gaat vertellen. Ze duwt zichzelf omhoog tegen de achterkant van het bed.
“De afdeling ligt bijna vol. Ook met meerderen op één kamer. Elke patiënt heeft een groot beademingsmasker voor het gezicht. De meesten ademen erg moeizaam.”
“Zit de familie erbij?”
“Nee. Eén keer per dag mag er één familielid bij. Volledig in beschermende kleding.”
“Maar die patiënten kunnen toch dood gaan?”
“Het kán dat ze erdoorheen komen, maar het kan ook dat ze het niet redden, nee.”
“Maar dan is er dus misschien niemand bij. Alleen jij. In een maanpak?”
“Of niemand. Er liggen veel patiënten. En er komen er steeds meer bij.”
Jongste valt stil. In zijn hoofd gebeurt veel. En dan heeft zijn moeder nog voor de kinderversie gekozen. Oudste komt de slaapkamer binnen, hij schuift het gordijn opzij. Het binnenvallende licht maakt zijn ogen tot spleetjes.
“Wat gaan we vandaag doen?” geeuwt ie.
Zijn broer verstevigt de greep om zijn moeder en zegt: “Onze taak: we blijven binnen.”
Hij heeft goed opgelet tijdens deze les.
Dag 9
De grootste deugd is tegenwoordig aanpassingsvermogen. Iedereen schakelt, zoals de restauranteigenaar die een dinerbezorgservice begint. Ook ik moest vol aan de bak.
Twee weken geleden stond ik nog met een krijtje voor het bord. Onderwijs uit het aap-noot-mies-tijdperk. Na een gigantische krachttoer van ICT-collega’s heb ik gisteren mijn eerste online-les gegeven. Terwijl de jongens in de huiskamer met hun moeder een grote puzzel legden, vertelde ik vanachter een laptop op de keukentafel over het lijdend voorwerp. Met behulp van hun telefoon of iPad werd die instructie door de leerlingen in hun thuissituatie gevolgd. Waanzinnig dat het kán. De één in konijnen-onesie vanuit zijn bed, de ander met een zak chipito’s, net buiten beeld. Wat geeft het: het onderwijs ging gewoon dóór.
Het incasseringsvermogen van iedereen is de afgelopen weken behoorlijk aangesproken. De maatregelen tot 1 juni: het wordt een beproeving. We zijn het tuimelpoppetje uit de babykamer dat na een dreun even alle kanten op zwenkt. Maar gedwongen door een venijnig virus vond ik, in nimmer bezochte krochten van mijn hersenpan, onvermoede digitale mogelijkheden. Het biedt nieuwe kansen.
Wereldwijd wordt in laboratoria gespeurd naar een geneesmiddel. Op veel kleinere schaal organiseren buurtverenigingen klusjesdiensten voor hulpbehoevenden in de straat. De veerkracht van de samenleving blijkt enorm. We gaan het redden met zijn allen. Die tuimelpop komt weer fier overeind.
Dag 10
Okay, dus deze zomer ook een streep door de Olympische Spelen. Alles wordt minder. Het enige dat méér wordt zijn emoties. Vrees, twijfel, paranoia; het kruipt onder de huid als schimmel onder nat behang. Met opzet zoeken we daarom de vrolijkheid op, bijvoorbeeld door samen met de jongens nieuwe gerechten te bereiden.
“Moet dat Franse kaasje echt bij de pasta, pap?”
“Yep, probeer maar.”
“Mm, eigenlijk best lekker!”
Andere luchtigheid vind ik bij DWDD. Maandag stond Willeke Alberti daar op het Podium Van Gedeelde Smart. Ze zong ‘Samen zijn’, normaal een lied vol vals sentiment, maar nu vatte het genadeloos ons uitgeklede leven samen. Vergeefs probeerde ik grote brokken weg te slikken.
“Wat is er, papa?”
“Eh, …. Ja, eh, …. ik denk een beetje te veel Franse kaas, jongen.”
Emotie overviel me ook tijdens een wandeling bij het vallen van de avond. Tussen twee boerderijen door zag mijn vriendin in de verte ineens vier reeën in een open veld. De ondergaande zon boven de bosrand maakte het moment compleet. Een paar seconden staarden twee werelden naar elkaar, de reeën en mijn vriendin en ik. Ook crisistijd deelt cadeautjes uit. Opnieuw probeerde ik gehaast de emotie weg te slikken. Met lichte spot keek mijn meisje opzij.
“Te veel Franse kaas?”
Ze kent me langer dan vandaag.
dinsdag 31 maart 2020
Het gezin in thuisisolatie
Op deze plek houd ik een dagboek bij over de perikelen van een gezin in thuisisolatie sinds het sluiten van de scholen:
Dag 1
Mooi woord, quarantaine. Erg bruikbaar voor scrabble of voor galgje op school. Afgelopen vrijdag vertelde ik tegen mijn leerlingen dat ze over twintig jaar hun kinderen zouden bijpraten over het wonderlijke jaar 2020. “Ja, echt, we zaten drie weken opgesloten in huis met genoeg wc-papier!”.
Vandaag is de eerste dag. Het ritme lijkt normaal. Uit bed, toilet, de krant van de deurmat, een bakje koffie. In de artikelen buitelen de invalshoeken over de pandemie over elkaar heen. Ook op de sportpagina. Ik leg de krant opzij en hoor de stilte. Boven slaapt de rest nog. Ze maken zich op voor een dag thuishuiswerk, hun telefoon checken, een lunchgerecht bedenken, de herhaling van Boer zoekt vrouw bekijken en een circuitje in de tuin met springtouw, elastiek en trampoline om toch maar fit te blijven én hooguit anderhalve uur spelcomputer. Ook in tijden van crisis wordt die regel gehandhaafd.
Met één handige beweging open ik de luxaflex. Bundels zonlicht vallen gehaast binnen en nestelen zich uitgelaten op de keukentafel. Eindelijk rust, lijken ze te zeggen.
Dag 2
Ergens tegen vieren waren de jongens duidelijk over hun eerste ophokdag.
“Het voelt eigenlijk als vakantie.”
Ik begreep dat wel. In de tuin pikten de vogels fluitend in de vetbollen, we aten pannenkoeken met chocopasta en de huiskamer werd omgebouwd tot sportschool. We hadden lol met mijn oude halters en een springtouw.
Maar ’s avonds sprak de minister-president op de tv. Met op de achtergrond een stapel boeken en een rij cd’s (Bach? Beatles? Bauer?) duwde Rutte de realiteit de huiskamer in.
“Geen gemakkelijke boodschap.”
“Geen snelle uitweg.”
“Een groot deel gaat besmet raken.”
Het vakantiegevoel was ineens ver weg. We hadden het optimisme van Matthijs bij DWDD nodig om terug te schakelen naar onze bubbel. Iets met creativiteit in tijden van crisis.
“Ik pak een sinaasappel,” zei Oudste.
“Wil je me hier masseren, mam?”, zei Jongste. Hij wees op zijn onderrug. Toch te veel gehalterd. Fruit links, een massage rechts, op tv een datingshow met gekkies. We zorgden goed voor elkaar, precies zoals Rutte gevraagd had.
Maar het blijft natuurlijk dansen op de vulkaan. Niemand weet wanneer ie barst.
Dag 3
Haarscheurtjes hier. Waarschijnlijk gevoed door de thuiszitplicht, de bodemloze behoefte van de nieuwe generatie om te staren in beeldschermen én de aanblik van beide heren temidden van koekresten, lege bordjes, uitgeschopte schoenen, onderuitgezakt met de voeten op de salontafel, ontstond er bij mij ontploffingsgevaar. Oudste gaf het laatste zetje. “Wat eten we?”
Vanuit mijn dikke darm borrelde een golf van irritatie omhoog, die ter hoogte van mijn slokdarm versterkt werd met woede en machteloosheid, om er via de huig met orkaankracht uit te komen: “HET IS HIER VERDORIE GEEN HOTEL!”
Ik paste precies in zo’n stripboekhokje, met gebalde vuisten en een inktzwart wolkje.
“Gezinsvergadering! Nu!”
Aan de keukentafel werd een convenant ondertekend dat de geschiedenis in zal gaan als ‘Lusten en lasten in tijden van ophokplicht’. Een uurtje gamen, okay. Maar afwisselen met huishoudelijke taken, huiswerk en beweging. Met het Verdrag als leidraad op de koelkast, gingen de jongens direct aan de slag.
“Mogen we straks chips?”, vroeg jongste , toen hij door zijn spaghettisaus stond te roeren. Grote klodders gehakt, ui en paprika bevlekten het fornuis, maar dat mocht. De vrede was weer ingedaald.
Dag 4
Mijn actieradius is sinds vier dagen enorm beperkt. Het huis verlaat ik alleen voor een wandeling in buitengebied of voor de mantelzorg aan mijn vader en moeder. Vanwege hun beider alzheimer wonen ze in een zorgappartement, waar het verplegend personeel, samen met mijn zus, schoonbroer, hun dochters en ik, de zorg verlenen. Bij binnenkomst tref ik hen steeds op dezelfde wijze aan: opa op de bank en oma in de stoel, met hun blik op het buitenraam gericht. Hun verleden is een dik boek, maar alle zinnen zijn uit het gelid geraakt, hun toekomst is een witte bladzijde met verloren geraakte letters. Wat overblijft is het nu: hun zicht op de straat. Een vrouw laat haar hondje uit, een man passeert op de fiets.
Als het eten klaar is, schuifelen ze aan tafel, daarna terug naar de bank. Het ritme geeft hen houvast. Bij het afscheid wil mijn moeder altijd knuffelen. De anderhalve-meter-afstand-regel vanwege besmettingsgevaar; ze heeft geen idee. Hun kwetsbaarheid in deze dagen is beangstigend. Ik laat mijn ouders achter met hun blik op straat. Hun totale onwetendheid van de wereld daarachter die in brand staat: het geeft ook troost.
Dag 5
Bruno Bruins viel dus flauw. Bruno Bruins, de naam roept niet direct het beeld op van een stoere leider die het volk door zware tijden loodst. Bruno Bruins is eerder een mollige beer uit een grappig stripverhaal: ‘Bruno Bruins en het gevecht met de Kronabeestjes’.
Het ter aarde storten van de minister is natuurlijk een metafoor: we dreigen met zijn allen onder de last van het virus door de hoeven te zakken. Bruno werkte zich een beroerte voor volk en vaderland. Na het applaus voor het zorgpersoneel lijkt me een ovatie voor Bruins een logische volgende stap.
In opdracht van zijn arts heeft minister Bruins per direct zijn taak neergelegd. Geen mooi einde van heldhaftige inzet. Ik verkies daarom de stripverhaalvariant:
“Ik ga weer aan het werk, vrouw!”
Bea Bruins zette ferm haar klauwen op haar brede berenheupen. “Dáár komt niets van in!”
Met een klauw griste Bea een mand van tafel. “Kom, we gaan picknicken. Ik heb zalm! En honing!”
“Maar ik moet…., eh, wat zeg je? Zalm? En honing?!” De oogjes van Bruno fonkelden.
“Kom Béaatjelief, we gaan. En vlug wat!”
Dag 1
Mooi woord, quarantaine. Erg bruikbaar voor scrabble of voor galgje op school. Afgelopen vrijdag vertelde ik tegen mijn leerlingen dat ze over twintig jaar hun kinderen zouden bijpraten over het wonderlijke jaar 2020. “Ja, echt, we zaten drie weken opgesloten in huis met genoeg wc-papier!”.
Vandaag is de eerste dag. Het ritme lijkt normaal. Uit bed, toilet, de krant van de deurmat, een bakje koffie. In de artikelen buitelen de invalshoeken over de pandemie over elkaar heen. Ook op de sportpagina. Ik leg de krant opzij en hoor de stilte. Boven slaapt de rest nog. Ze maken zich op voor een dag thuishuiswerk, hun telefoon checken, een lunchgerecht bedenken, de herhaling van Boer zoekt vrouw bekijken en een circuitje in de tuin met springtouw, elastiek en trampoline om toch maar fit te blijven én hooguit anderhalve uur spelcomputer. Ook in tijden van crisis wordt die regel gehandhaafd.
Met één handige beweging open ik de luxaflex. Bundels zonlicht vallen gehaast binnen en nestelen zich uitgelaten op de keukentafel. Eindelijk rust, lijken ze te zeggen.
Dag 2
Ergens tegen vieren waren de jongens duidelijk over hun eerste ophokdag.
“Het voelt eigenlijk als vakantie.”
Ik begreep dat wel. In de tuin pikten de vogels fluitend in de vetbollen, we aten pannenkoeken met chocopasta en de huiskamer werd omgebouwd tot sportschool. We hadden lol met mijn oude halters en een springtouw.
Maar ’s avonds sprak de minister-president op de tv. Met op de achtergrond een stapel boeken en een rij cd’s (Bach? Beatles? Bauer?) duwde Rutte de realiteit de huiskamer in.
“Geen gemakkelijke boodschap.”
“Geen snelle uitweg.”
“Een groot deel gaat besmet raken.”
Het vakantiegevoel was ineens ver weg. We hadden het optimisme van Matthijs bij DWDD nodig om terug te schakelen naar onze bubbel. Iets met creativiteit in tijden van crisis.
“Ik pak een sinaasappel,” zei Oudste.
“Wil je me hier masseren, mam?”, zei Jongste. Hij wees op zijn onderrug. Toch te veel gehalterd. Fruit links, een massage rechts, op tv een datingshow met gekkies. We zorgden goed voor elkaar, precies zoals Rutte gevraagd had.
Maar het blijft natuurlijk dansen op de vulkaan. Niemand weet wanneer ie barst.
Dag 3
Haarscheurtjes hier. Waarschijnlijk gevoed door de thuiszitplicht, de bodemloze behoefte van de nieuwe generatie om te staren in beeldschermen én de aanblik van beide heren temidden van koekresten, lege bordjes, uitgeschopte schoenen, onderuitgezakt met de voeten op de salontafel, ontstond er bij mij ontploffingsgevaar. Oudste gaf het laatste zetje. “Wat eten we?”
Vanuit mijn dikke darm borrelde een golf van irritatie omhoog, die ter hoogte van mijn slokdarm versterkt werd met woede en machteloosheid, om er via de huig met orkaankracht uit te komen: “HET IS HIER VERDORIE GEEN HOTEL!”
Ik paste precies in zo’n stripboekhokje, met gebalde vuisten en een inktzwart wolkje.
“Gezinsvergadering! Nu!”
Aan de keukentafel werd een convenant ondertekend dat de geschiedenis in zal gaan als ‘Lusten en lasten in tijden van ophokplicht’. Een uurtje gamen, okay. Maar afwisselen met huishoudelijke taken, huiswerk en beweging. Met het Verdrag als leidraad op de koelkast, gingen de jongens direct aan de slag.
“Mogen we straks chips?”, vroeg jongste , toen hij door zijn spaghettisaus stond te roeren. Grote klodders gehakt, ui en paprika bevlekten het fornuis, maar dat mocht. De vrede was weer ingedaald.
Dag 4
Mijn actieradius is sinds vier dagen enorm beperkt. Het huis verlaat ik alleen voor een wandeling in buitengebied of voor de mantelzorg aan mijn vader en moeder. Vanwege hun beider alzheimer wonen ze in een zorgappartement, waar het verplegend personeel, samen met mijn zus, schoonbroer, hun dochters en ik, de zorg verlenen. Bij binnenkomst tref ik hen steeds op dezelfde wijze aan: opa op de bank en oma in de stoel, met hun blik op het buitenraam gericht. Hun verleden is een dik boek, maar alle zinnen zijn uit het gelid geraakt, hun toekomst is een witte bladzijde met verloren geraakte letters. Wat overblijft is het nu: hun zicht op de straat. Een vrouw laat haar hondje uit, een man passeert op de fiets.
Als het eten klaar is, schuifelen ze aan tafel, daarna terug naar de bank. Het ritme geeft hen houvast. Bij het afscheid wil mijn moeder altijd knuffelen. De anderhalve-meter-afstand-regel vanwege besmettingsgevaar; ze heeft geen idee. Hun kwetsbaarheid in deze dagen is beangstigend. Ik laat mijn ouders achter met hun blik op straat. Hun totale onwetendheid van de wereld daarachter die in brand staat: het geeft ook troost.
Dag 5
Bruno Bruins viel dus flauw. Bruno Bruins, de naam roept niet direct het beeld op van een stoere leider die het volk door zware tijden loodst. Bruno Bruins is eerder een mollige beer uit een grappig stripverhaal: ‘Bruno Bruins en het gevecht met de Kronabeestjes’.
Het ter aarde storten van de minister is natuurlijk een metafoor: we dreigen met zijn allen onder de last van het virus door de hoeven te zakken. Bruno werkte zich een beroerte voor volk en vaderland. Na het applaus voor het zorgpersoneel lijkt me een ovatie voor Bruins een logische volgende stap.
In opdracht van zijn arts heeft minister Bruins per direct zijn taak neergelegd. Geen mooi einde van heldhaftige inzet. Ik verkies daarom de stripverhaalvariant:
“Ik ga weer aan het werk, vrouw!”
Bea Bruins zette ferm haar klauwen op haar brede berenheupen. “Dáár komt niets van in!”
Met een klauw griste Bea een mand van tafel. “Kom, we gaan picknicken. Ik heb zalm! En honing!”
“Maar ik moet…., eh, wat zeg je? Zalm? En honing?!” De oogjes van Bruno fonkelden.
“Kom Béaatjelief, we gaan. En vlug wat!”
woensdag 14 augustus 2019
Afweergeschut
Baumgartl. De naam van de nieuwe voorstopper van PSV klinkt als een duur merk kettingzaag met stationair lopende dieselmotor. In Scandinavië dunnen ze er hele bossen mee uit. Vooral Noorse houthakkers werken er graag mee.
“Vanmorgen stuitten we in het kreupelhout van Skomssø op een oude eik. Anderhalve meter dik. Dat wordt avondwerk, dachten we. Maar met de Baumgartl was het zo gepiept.”
Timo Baumgartl, eindelijk weer eens een voetballer van wie de naam volledig in balans is met zijn veldspel. Met Baumgartl in de basis weet je: dat laat na afloop diepe geulen na op het veld. Spitsen van komende tegenstanders van PSV stellen zich in op 90 minuten oorlog in de zestien. Blauwe plekken in de nek, open kniewonden, ochtendstijfheid.
“Wat heb jij nou?”
“Oef! Gisteren tegen Baumgartl gespeeld...”
Jarenlang moesten we het doen met voetballers wiens namen veel beloofden. Wilfried Kanon, je verwacht een spits met een ziedend schot, maar bij ADO verdedigt hij alsof ie zijn dochtertje voorleest uit een prentenboek. Guus Til wekt de verwachting van een marktkraam met tweedehands boeken, vooral Konsalik en Amerikaanse thrillers. Of Schwaab, je denkt aan een koolzuurhoudend frisdrankje met frambozensmaak, niet aan een Duitse verdediger. Maar nu hebben we Timo Baumgartl, een voetballer die eindelijk doet wat zijn naam belooft.
Het is een kwestie van tijd dat het een werkwoord wordt, baumgartelen. Dat we in de Van Dale het volgende lezen: baum-gar-te-len (hij baumgartelde, heeft gebaumgarteld) 1. Met noeste arbeid je taak uitvoeren. Fysiek, niet fijnzinnig 2. Het uitdunnen van een Noors bos met zwaar geschut.
Kijk er niet van op dat het gemeengoed wordt. Dat baumgartelen zich, net als sms’en en wc-eend, blijvend in onze taal nestelt. Erik ten Hag die de vraag krijgt waarom het niet zo wilde lukken tegen Paok. Voor de Ajax-trainer is de oorzaak kraakhelder: “Aanvallend varieerden we goed, maar achterin hebben we te weinig gebaumgarteld.”
Abonneren op:
Posts (Atom)