Doorgaans zie je het alleen in strips. Je leest het in verhalen als FC Knudde op hol en Appie Happie bij de zaaduientelers. Kolderieke avonturen op een voetbalveld. Bij het zesde gebeurt het in de 23e minuut van de uitwedstrijd tegen Nieuw-Woensel 4. Op eigen helft, bij de stand 0-2, raakt R. de bal ongelukkig. Hoog waait zijn terugspeelbal mijn zestienmetergebied binnen. Fraai denk ik zijn vuurpijl dood op mijn voet te leggen, maar ik houd blijkbaar te weinig rekening met de straffe wind. De bal schampt van mijn wreef en op het moment dat ik het leder tegen mijn bilnaad voel stuiteren, hijgt de spits van Nieuw-Woensel agressief in mijn nek. Meteen alarmfase 5. Duwend en trekkend ontfutselt de aanvaller me de bal en terwijl ik verontwaardigd omval, zie ik hem de bal panklaar neerleggen voor een gapend leeg doel. Consternatie, geschreeuw, gejoel, gejuich, ik begraaf mijn gezicht in het gras. Maar manmoedig sta ik op, zie de bal en schop hem richting middencirkel voor de aftrap. Op de zestienmeterlijn onderschept de spits van de tegenstander opnieuw de bal en schuift hem eenvoudig in het lege doel. Weer consternatie, gejuich, geschreeuw, gejoel.
“Wat doe je nu? Het was een doeltrap! Die bal ging naast!” Vier seconden te laat praatten J. en R. me bij over de gemiste-kans-voor-open-doel toen ik in het gras lag te bijten. Zelden stonden 21 voetballers met méér verbijstering op een veld. Ik zie Sven Kramer opnieuw de verkeerde bocht in schaatsen en iedereen kijkt naar mij: coach Kemkers.
In de rust weet het zesde het krankzinnige incident rijkelijk met de mantel der humor te bedekken, maar de sfeer kantelt drastisch in de achtste minuut van de tweede helft. Onhandig duik ik onder een houdbaar schot door en help daarmee de tegenstander opnieuw in de wedstrijd.
“Polletje!”, probeer ik nog, maar de maat is vol. Meer dan vol. Als een op hol geslagen groep tbs’ers stormt het zesde op me af. Ik zet het op een lopen. Tien dolle blauwwitten op jacht naar hun doelman met zijn gekke fratsen. Ternauwernood weet ik het kleedlokaal te bereiken. Wild gebons op de deur. Zelfs in een stripverhaal nog nooit vertoond. Buiten adem probeer ik de meute buiten te houden. Slechts één vraag bonkt steeds door mijn hoofd: hoe is het met Gerard Kemkers afgelopen?
zondag 28 augustus 2011
Rijkdom
Vroeg op de zondagochtend, het huis is nog stil. Ik gris de afstandbediening van de tv van het nachtkastje terwijl de indrukken van de vorige avond nog prettig nagalmen in mijn hoofd: housewarmingparty bij ploegmaat E. Zwembad in de tuin, jacuzzi in de badkamer, bioscoop in de kelder. De meeste indruk maakte het ingebouwde computerpaneel op een keukenwand, waarmee elk gordijn, lichtknopje en verwarmingselement bediend kan worden: de wondere wereld van domotica. Het zesde gunt het E., onze noeste middenvelder, van harte. Jarenlang heeft hij ervoor gebikkeld in het familiebedrijf.
Pagina 801 is duidelijk: Twente wint weer en blijft koploper in Nederland. ‘Eto’o scoort bij debuut’ lees ik vervolgens op 838. De Kameroener is getransfereerd naar het Anzhi Machatsjkala van Balazs Dszudszak in Dagestan en teletekst meldt terloops dat daar jaarlijks 20 miljoen euro tegenover staat. Een twee met zeven nullen. Op het moment dat de aanvaller 's morgens alleen al zijn ogen open doet in zijn huisje aan de voet van de Kaukasus met uitzicht op de Kaspische Zee, heeft hij mijn jaarsalaris al binnen.
Ik knip de tv uit en verheug me op een nieuwe wedstrijd met het zesde als ik voetstappen op de gang hoor. De oudste glipt onze slaapkamer binnen, klimt slaapdronken over me heen en kruipt tegen zijn moeder aan.
“Goedemorgen papa,” fluistert hij.
Het levert geen 20 miljoen op en zo meteen schuif ik zelf de gordijnen open, maar het voelt als rijkdom.
Pagina 801 is duidelijk: Twente wint weer en blijft koploper in Nederland. ‘Eto’o scoort bij debuut’ lees ik vervolgens op 838. De Kameroener is getransfereerd naar het Anzhi Machatsjkala van Balazs Dszudszak in Dagestan en teletekst meldt terloops dat daar jaarlijks 20 miljoen euro tegenover staat. Een twee met zeven nullen. Op het moment dat de aanvaller 's morgens alleen al zijn ogen open doet in zijn huisje aan de voet van de Kaukasus met uitzicht op de Kaspische Zee, heeft hij mijn jaarsalaris al binnen.
Ik knip de tv uit en verheug me op een nieuwe wedstrijd met het zesde als ik voetstappen op de gang hoor. De oudste glipt onze slaapkamer binnen, klimt slaapdronken over me heen en kruipt tegen zijn moeder aan.
“Goedemorgen papa,” fluistert hij.
Het levert geen 20 miljoen op en zo meteen schuif ik zelf de gordijnen open, maar het voelt als rijkdom.
donderdag 25 augustus 2011
Het gat van Cantona
Bij het opruimen van de zolder boven het fietsschuurtje vond ik drie grote stukken bordkarton. In de zomer van 2000 vormden ze bij de verbouwing van ons huis een noodwand. Met het EK voetbal in eigen land en België in aantocht, wisten mijn vrienden en ik wel raad met het lege vlak van vijf bij drie meter aan huiskamerzijde. Akelig precies schilderden we er een voetbalstadion in perspectief op. De verbouwing van het huis geschiedde in eigen beheer, vrije tijd was schaars, maar aan de schepping van de voetbaltempel werden meer uren geschonken dan aan het klaarzetten van steigers en bouwstenen. Frank Rijkaard stoomde de selectie van het Nederlands elftal klaar, wij creëerden ons eigen voetbalpaleisje. Minutieus kreeg het stadion steeds meer vorm: twee supportersringen met daartussen een laag met VIP-boxen, de reclameborden en helemaal onderin het speelveld. Gedurende de hele zomer was het stadion uitverkocht, want met engelengeduld en de tong uit de mond werden alle fans op de vakken geschilderd en met oranje shirts ingekleurd. De mogelijkheid om een EK-wedstrijd in Eindhoven of Arnhem bij te wonen lieten we gemakshalve schieten; het feest om de wedstrijden te volgen in ons eigen bastion was veel te groot.
Elf jaar later zet ik de stukken naast elkaar tegen de tuindeuren. Met genoegen herken ik de details; Tom Egbers met microfoon op het veld, Kees Jansma in een lichtmast en het na de kwartfinale tegen Joegoslavië geschilderde spandoek: ‘Alle ballen op Kluivert!’. Het is een waar meesterwerk. In gedachten roep ik de taxateurs van ‘Tussen kunst en kitsch’ erbij. Met het brilletje op de punt van de neus zouden ze wel raad weten met het object: “De barokke lijnen geven speels vorm aan een post-modern realisme, de waarde schat ik toch wel op zo’n 3.000 euro.”
Erg jammer dat er een gat zo groot als een broodrooster zit ter hoogte van de middencirkel. Het resultaat van een hoge trap, zoals Eric Cantona ooit furieus een fan van Crystal Palace neerhaalde. Na de penalty van Paul Bosvelt in de halve finale tegen Italië begreep ik precies hoe hij zich toen voelde.
Elf jaar later zet ik de stukken naast elkaar tegen de tuindeuren. Met genoegen herken ik de details; Tom Egbers met microfoon op het veld, Kees Jansma in een lichtmast en het na de kwartfinale tegen Joegoslavië geschilderde spandoek: ‘Alle ballen op Kluivert!’. Het is een waar meesterwerk. In gedachten roep ik de taxateurs van ‘Tussen kunst en kitsch’ erbij. Met het brilletje op de punt van de neus zouden ze wel raad weten met het object: “De barokke lijnen geven speels vorm aan een post-modern realisme, de waarde schat ik toch wel op zo’n 3.000 euro.”
Erg jammer dat er een gat zo groot als een broodrooster zit ter hoogte van de middencirkel. Het resultaat van een hoge trap, zoals Eric Cantona ooit furieus een fan van Crystal Palace neerhaalde. Na de penalty van Paul Bosvelt in de halve finale tegen Italië begreep ik precies hoe hij zich toen voelde.
maandag 22 augustus 2011
Verschillende werelden
In de wachtrij bij de kassa stond ik achter een jongen van een jaar of acht. Hij droeg een wedstrijdshirt van De Graafschap met de naam ‘Lars’ op de rug. Geduldig hield hij de hand van zijn moeder vast. Hij had nog geen idee van het leven met verlies dat voor hem lag. Okay, af en toe een gelijkspel en misschien een winstpartij tegen Excelsior of VVV.
“Voetbal je ook bij Bladella?” vroeg het kassameisje commercieel beleefd aan het joch toen zijn moeder aan de beurt was. Ze vond het verschil tussen de horizontale strepen van de knaap en de verticale banen van de plaatselijke tweedeklasser te verwaarlozen.
De jongen dacht daar heel anders over. “Nee, dit shirt is van De Graafschap,” antwoordde hij ferm. Zijn trots was geraakt. Zijn vader had vermoedelijk Guus Hiddink nog voor De Graafschap zien ploeteren en nam vorig jaar zijn zoon voor het eerst mee naar De Vijverberg. Het bikkelen tussen wuivende korenvelden en het vooruitschreeuwen van de blauwwitten op zaterdagavond werd van generatie op generatie doorgegeven. In de ogen van de jongen straalde de hoop op een nieuw glorierijk seizoen, ook al stond Purrel Fränkel wéér linksback. Het verlangen ooit als Superboer op het veld te staan, spatte van zijn houding. Stoer stak hij zijn borst met het clublogo vooruit, maar het kassameisje rekende geroutineerd af. In haar wereld van Justin Timberlake en nog niet geopende berichten op Hyves was geen ruimte voor sentimenten uit de Achterhoek.
Ze richtte haar hulpeloosheid op mij, toen de jongen en zijn moeder de winkel verlieten en terugkeerden naar de camping. “De Graafschap?” vroeg ze.
“Doetinchem,” probeerde ik nog. Ze had werkelijk geen idee.
“Voetbal je ook bij Bladella?” vroeg het kassameisje commercieel beleefd aan het joch toen zijn moeder aan de beurt was. Ze vond het verschil tussen de horizontale strepen van de knaap en de verticale banen van de plaatselijke tweedeklasser te verwaarlozen.
De jongen dacht daar heel anders over. “Nee, dit shirt is van De Graafschap,” antwoordde hij ferm. Zijn trots was geraakt. Zijn vader had vermoedelijk Guus Hiddink nog voor De Graafschap zien ploeteren en nam vorig jaar zijn zoon voor het eerst mee naar De Vijverberg. Het bikkelen tussen wuivende korenvelden en het vooruitschreeuwen van de blauwwitten op zaterdagavond werd van generatie op generatie doorgegeven. In de ogen van de jongen straalde de hoop op een nieuw glorierijk seizoen, ook al stond Purrel Fränkel wéér linksback. Het verlangen ooit als Superboer op het veld te staan, spatte van zijn houding. Stoer stak hij zijn borst met het clublogo vooruit, maar het kassameisje rekende geroutineerd af. In haar wereld van Justin Timberlake en nog niet geopende berichten op Hyves was geen ruimte voor sentimenten uit de Achterhoek.
Ze richtte haar hulpeloosheid op mij, toen de jongen en zijn moeder de winkel verlieten en terugkeerden naar de camping. “De Graafschap?” vroeg ze.
“Doetinchem,” probeerde ik nog. Ze had werkelijk geen idee.
vrijdag 19 augustus 2011
Het zwart van Koeman
Vooral de eenvoud staat me nog bij. Geen oranje of paarse pantoffeltjes, maar ouderwetse Adidas-schoenen. Dof zwart gazelleleer met aan elke kant drie witte strepen. Schoenen uit de tijd van Ruud Krol en Willem van Hanegem. Ze lagen in een glazen kistje van het Barca-museum, in de catacomben van Nou Camp. De schoenen van Ronald Koeman kregen dit ereplaatsje, omdat hij ze droeg in de Champions League-finale van 1992. Op Wembley knalde Koeman een vrije trap achter Pagliuca, zodat Barcelona voor de eerste keer de cup met de grote oren won. Cruijff bleef met een voet achter een reclamebord haken.
Die schoenen zeggen veel over Ronald Koeman. Ze maken hem anders dan spelers als Beckham en Ibrahimovic, die hun populariteit deels danken aan uiterlijk vertoon. Koeman was sober. Nooit vroeg hij Bartina om een slipje, om op zondagmiddag zijn schot van extra kracht te voorzien en een tatoeage op die bleke sproetenarm had een fabriekslasser uit een Engelse voorstad van hem gemaakt.
Met diezelfde nuchtere kijk staat Koeman op het trainingsveld bij Feyenoord. Ik zie hem zo staan naast De Kuip. Met zijn handen in zijn zakken en op voetbalschoenen van zwart gazelleleer kijkt hij ontspannen naar de afwerkoefeningen. Terwijl zijn voorganger in een bistro hoofdschuddend naar een schilderij van Ernst Happel zit te staren, neemt hij de rechtsbuiten even apart. Tijdens het onderonsje doet de trainer het even voor.
“Kijk Jerson, dan trek je zo naar binnen en krul je de bal met links in de verre hoek.”
Die schoenen zeggen veel over Ronald Koeman. Ze maken hem anders dan spelers als Beckham en Ibrahimovic, die hun populariteit deels danken aan uiterlijk vertoon. Koeman was sober. Nooit vroeg hij Bartina om een slipje, om op zondagmiddag zijn schot van extra kracht te voorzien en een tatoeage op die bleke sproetenarm had een fabriekslasser uit een Engelse voorstad van hem gemaakt.
Met diezelfde nuchtere kijk staat Koeman op het trainingsveld bij Feyenoord. Ik zie hem zo staan naast De Kuip. Met zijn handen in zijn zakken en op voetbalschoenen van zwart gazelleleer kijkt hij ontspannen naar de afwerkoefeningen. Terwijl zijn voorganger in een bistro hoofdschuddend naar een schilderij van Ernst Happel zit te staren, neemt hij de rechtsbuiten even apart. Tijdens het onderonsje doet de trainer het even voor.
“Kijk Jerson, dan trek je zo naar binnen en krul je de bal met links in de verre hoek.”
Abonneren op:
Posts (Atom)